Non Fictie/Fictie

dinsdag 25 maart 2008

als de kat van huis is

het kind ging logeren.
en dus was de moeder alleen de hele avond en nacht. feest. wilde plannen. ze eindigde in de hoofdstad, oh en ah zeggen tegen een nieuw mensje, praten over borstvoeding en het ouderschap. daarna ging ze in het donker met de bus en de trein naar huis, want er was niemand die voor het donker thuis moest zijn om te slapen. Op het station kocht ze een mars want er was niemand die geen mars mocht maar er wel om zou gaan smeken. In de trein ging ze boven zitten, want er was geen wagentje waarmee gesleept diende te worden. Haar voeten op de bank tegenover haar, want er was geen kind dat het goede voorbeeld voorgeschoteld moest krijgen. Ze las de Rails, want er was niemand die liever wilde dat ze 'paardje paardje' speelde, of zijn blokjes opraapte, of dikkie dik voorlas. Toen ze haar aansluiting miste, mompelde ze godverdomme, want er was geen echo die goffedomme zou zeggen. Met haar fiets zigzagde ze tussen de strepen op het fietspad door, want er was niemand die achter van haar bagagedrager zou vallen. Thuis zette ze de muziek hard aan, want er was niemand die boos uit zijn kamertje zou komen, met zijn knuffel onder zijn arm geklemd, wrijvend in zijn ogen.
's Morgens zette ze haar wekker extra vaak op snooze want er was niemand die eerst nog wakker gemaakt diende te worden en kleren aan moest hebben, en pap moest eten. Ze werd wakker onder de douche, want er was niemand die haar daarvoor al had wakker gemaakt, noch was er iemand die onder de douche voordurend de regie over de douchekop opeiste waardoor de moeder blauwbekkend náást de warme waterstralen moest staan. Ze at cruesli, want er was niemand die bij het zien van een bak cruesli onmiddellijk zou weigeren nog een hap van die suffe Brinta te eten. En ondertussen zat ze op de bank, met het ontbijtnieuws op de tv aan, want er was niemand die ze wilde bijbrengen dat de tv 's morgens helemaal niet nodig is. Ze pakte haar tas in, deed open en bloot een pakje Sultana's in haar tas, want er was niemand die bij het zien van de Sultana's zo wild zou worden dat ie het komende uur niet te temmen zou zijn. Ze fietste extra laat van huis weg, want er hoefde niemand weggebracht te worden. En terwijl ze op de fiets nog éénmaal zigzagde tussen de straatbelijning, stoepje op en af fietste, haar hand niet uitstak toen ze ergens insloeg en hardop vloekte toen een automobilist haar geen voorrang gaf, bedacht ze:
wild hoor zo'n kindloze dag....

donderdag 13 maart 2008

de tussenstand

Om me heen is de bom gebarsten. (aanstaande) Kersverse ouders schieten als paddestoelen uit de grond. Allemaal vol nieuwsgierigheid, vraagtekens, alsof ze voor de magische deur van de Mini Playbackshow staan. Geen idee wat er achter die deur zit, alleen dat het totaal anders is dan alles wat er voor die deur zat.
Spannend wat voor mensje d'r in die dikke buiken zit, maar bijna net zo spannend: wat voor ouders er schuilgaan achter al die vrienden van me.
Het zet me uiteraard aan het denken wat voor ouder ik nou eigenlijk geworden ben, en wat mijn verwachtingen waren. Na dik twee jaar is het een mooi moment om eens de balans op te maken.

Ik kan nog moeilijk achterhalen wat mijn verwachtingen van mijzelf als moeder waren. Ik denk dat ik gemakkelijkerwijs mezelf zag als een soort cloon van mijn moeder. En heel gemakkelijk wilde ik zijn, niet te gecompliceerd, niet te krampachtig, niet te bezorgd, flexibel. En alsjeblieft niet iemand die alleen maar over haar kind kan praten, iemand die ook nog gewoon zichzelf is, niet alleen de moeder van. En het leek me dat ik nuchter genoeg was om boven al die vreselijk zwepende moedergevoelens te staan. Geen roze brilletje voor mij.

En nu de praktijk.

De drie RRRen, mijn ouders hadden er volgens mij nog nooit van gehoord, of ze hebben het weggewimpeld omdat het niet bij al hun hippie-idealen paste. Al vrij snel na de geboorte raakte ik in de ban van de R van Regelmaat. Wat gedijde dat kleine babietje er goed bij als alles volgens een redelijk strak ritme ging. En ook die peuter doet het uitstekend, met zijn vaste bedtijd, avondeten op een vast tijdstip. Zelfs als we na een dag hard werken pas om tien over zes ons huis binnenkomen, staan om half 7 twee dampende borden met overheerlijk eten klaar op de tafel. Ik ken mezelf amper terug, maar zelfs ik vind het prettig in zo'n ritme te leven.
Dan hebben we de R van Rust. Ook die is hier een tijd lang heilig geweest. Ik dacht vroeger: mijn kind kan overal wel slapen, gaat vrolijk mee naar feestjes en en en. Niks daarvan. Nano's bedtijd is, zeker in zijn baby/dreumes-tijd, heilig goed geweest hier in huis. De dag wordt gepland om zijn slaapjes heen, die hij netjes in zijn bed doet. Tijden veranderen, intussen is dat babietje een peutertje die wat makkelijker ietsje later naar bed gaat, en de tijden van zijn middagslaapje aanpast aan de plek waar hij die dag is.
De R van Reinheid...
Tja.
Haha, hoe naief kun je zijn? Ik dacht dus écht dat het moederschap van mij ook meteen een goede of op z'n minst een betere huisvrouw zou maken. Hoe dat in elkaar zou steken, geen idee....Maar ik kan jullie vertellen: niks is minder waar. Arme arme Nano, moet ie in net zo'n rommelig nest opgroeien als ik.

Flexibel ben ik wel, al zijn zijn slaaptijden heilig. Ik ben die stoere moeder geworden die zomaar eventjes met haar kind naar Afrika reist. Dat dan weer wel. Van overbezorgdheid heb ik volgens mij ook geen last, krampachtigheid heb ik mezelf ook nog niet op kunnen betrappen.

en dan. Dat moedergevoel, dat niet te veel willen praten over je kind, een eigen leven willen hebben naast het moederschap...In de afgelopen twee jaar is me wel duidelijk geworden dat Nano onbetwistbaar een deel van mijn leven ís, en het zou juist krampachtig zijn dát te ontkennen. Op mijn werk doe ik wel erg mijn best niet elke dag met voor andere doodvermoeiende anekdotes te komen over wat voor grappige dingen mijn zoon nou weer heeft gezegd. Ik probeer niet elke leuke foto die ik heb in een lijstje boven mijn bureau te hangen. En het kost me verdomd veel moeite...

Maar het meest opvallend vind ik nog wel, dat ik zo ongelofelijk gelukkig word van zijn bestaan, dat ik al vrolijk word als ik zijn schoentjes zie staan op de gang, van hoe hij in zijn bedje ligt met zijn poppie naast hem, zijn aapie om zijn nek, hoe hij 's morgens naar mijn bedje toe tippelt om even te melden dat 'nano wakkel is'. Niks is beter voor mijn humeur dan Nano die achter op de fiets alle liedjes die hij kent uit volle borst zingt. Zijn lach als hij mijn hoofd bij het kinderdagverblijf om het hoekje ziet verschijnen, is goud waard. Met hem in de hangstoel vlak voor het slapen een verhaaltje voorlezen, nadat hij eerst heeft besloten welke knuffels vanavond mee mogen luisteren, het is puur genieten. Zijn eigen taaltje dat langzaamaan steeds meer doorspekt wordt met woorden die ik ook ken, is de mooiste taal op aarde. Niks is lekkerder dan door zijn lekkere krullenbos kroelen. 'Mmmmm Lekkel mamma' is het beste compliment voor mijn kookkunsten. En een kusje van hem op een zere plek laat elke pijn als sneeuw voor de zon verdwijnen. Elke dag is Nano nóg leuker dan de dag ervoor, en de liefde groeit en groeit maar.
Ik hoor mezelf op een feestje zeggen dat sinds Nano er is, geen enkele dag nutteloos is. Jaja, heb je een emmertje? Maar het is verdorie zooo waar.
De keuze die ik deze week precies 3 jaar geleden maakte, en die voor velen, zelfs voor mijzelf, zo onnavolgbaar was, komt zonder twijfel met stip op nummer 1 in de top 10 van beste keuzes allertijden.

En het aller allermeeste heb ik mezelf verbaasd met dat ik het tegenwoordig dus voor elkaar krijg zulke zoetsappige teksten op mijn weblog neer te zetten, en er elk woord nog van te menen ook...



foto gemaakt door mara.

zondag 24 februari 2008

sleutels, pijn en chaos

Donderdag kreeg ik mijn nieuwe sleutels binnen. De dag erna dus met mijn hipste fiets van het schoolplein naar het werk. Ik haal de fiets uit de schuur. en als in een sprookje vielen op dat moment vanuit de hemel met een spotje erop en een gouden randje erom, mijn originele sleutels voor mijn voeten...

En ik was niets eens verbaasd.

Netzomin was er ook maar één iemand te vinden die op het hele sleutelverhaal verbaasd reageerde met: jeetje eefju, dat jóú dat nou moet gebeuren.

En dat doet pijn.

Wat ook pijn doet is een trein die afgelopen zaterdag speciaal voor mij stopte zodat de conducteur kon gaan zoeken naar iets wat uiteraard gewoon in de zak van mijn vest (hoe weet ik nou weer dat daar óók een zak in zit?) bleek te zitten.

En wat ook pijn doet is het zweet dat over mijn hele lichaam verschijnt als ik op mijn werk op die dag dat ik voor het eerst met mijn hippe fiets was gekomen, een mailtje ontvang met de tekst:
Op de binnenplaats is een fietssleutel gevonden. Deze is op te halen bij de
receptie.

En dat terwijl ik niet eens op de binnenplaats geweest was.

En wat ook pijn doet is al dat wachten dat ik mijn zoon aandoe, als hij met zijn mutsje op en zijn jasje aan klaar staat om te vertrekken, maar ik eerst nog overal moet zoeken waar mijn portemennee is. Of als ie helemaal van de fiets af moet klouteren omdat moeders toch haar pasje voor werk niet bij zich heeft. En uiteraard ook niet precies weet waar ze dat voor het laatst heeft gehad.

Ik wil geen pijn meer. Vandaar mijn dringende oproepje:

Chaoot zoekt controlfreak om de fijne kneepjes van het vak te leren en samen gelukkig te worden.

zondag 17 februari 2008

niets fiets

Gek is dat. Ik hou van fietsen. Al mijn hele leven volgens mij. op mijn 9de fietste ik op een waggel fietsje op en neer van Limburg naar Zeeland, op mijn 16de -zonder versnellingen wil ik er nog wel even bij vermelden (en ik had overigens 5.48 voor de cito, had ik dat al eens gemeld? ) - naar Parijs, later ook nog in Hongarije, en tijdens mijn puberteit trotseerde ik elke dag de Windraak of de Kellener of 'het veld' terwijl mijn plaatsgenootjes allemaal hadden gekozen voor een school die veel dichterbij lag. Jarenlang droomde ik ervan ooit nog eens op de fiets van apenbroodboom tot apenbroodboom in Afrika te fietsen (toen ik tijdens mijn laatste verblijf in uganda een boek las van iemand die daadwerkelijk van Senegal naar Tanzania was gefiets, was ik vrij snel genezen van deze droom. Er zijn grenzen). Ik en fietsen is dus eigenlijk best een goede combi.

Ik en fíétsen daarentegen....

Tijdens mijn middelbareschoolperiode stierven mijn fietsen altijd een snelle dood door de ellende die ik ze aandeed met mijn krantenwijkje.
Tijdens mijn studie werden mijn fietsen massaal gejat. En even massaal vond ik ze weer terug. Stond bijvoorbeeld mijn mooie fietsje waar ik zoveel tranen om had gelaten toen iemand zomaar besloot dat het nu ZIJN fiets was, zomaar opeens voor mijn neus in de fietsenstalling van het station. Ventielen eruit, bij de hema een slot gescoord, slot aan de fiets. Briefje erbij: Geachte dief, ik hoop dat u genoten heeft van mijn fiets. Nu zou ik hem graag weer zelf willen gebruiken. Bedankt voor het verwijderen van uw slot. Toen was het weer MIJN fiets.
Dezelfde fiets trof ik enkele maanden later zomaar opeens aan in de hand van een nogal slecht uitziende man. Ik denk dat ie ook stonk, al heb ik dat niet geroken, moet ik eerlijkheidshalve eraan toevoegen. Maar hij had dus mijn fiets vast. Maar even later had ik mijn fiets weer vast, was ie toch nog van mij. En is ie onder mijn derriere oud geworden en uiteindelijk ook gestorven.

Toen ik moeder werd, kocht ik een betere fiets. En na anderhalfjaar was ie opeens weg. Had um op het station gezet toen ik mocht zien hoe mijn vrienden elkaar het ja-woord gaven, en hij stond er niet meer toen ik later op de dag met mijn zoon in de stromende regen terug kwam. Ik moest hard huilen en het regende ook hard en het leven was even ook hard, best harmonieus dus eigenlijk.
De dag erna moest zoonlief gewoon naar de opvang gebracht worden, en moeders werd gewoon weer verwacht bij de grootste familie. Dus kocht moeders een nieuwe fiets, en daarbij keek ze niet op een euro. Een echte moederfiets. Fijn. De plaatstelijke krant schrijft een paar weken later op pagina 18 een klein stukje over de gemeente die heeft besloten fietsen te verplaatsen op het station die verkeerd geparkeerd staan. Ik kom aan op het station, op de plek waar ik mijn fietsje had achtergelaten, is niks te lezen over dat het verboden terrein is, laat staan dat verkeerd geparkeerde fietsen verplaatst worden. Maar helemaal achter het station staat, tussen heel veel andere voor gestolen aangenomen fietsen, inderdaad mijn mooie vertrouwde, maar door de regen en de ellende behoorlijk verrotte fiets. Toen had ik er ineens twee.

Maar dat duurde niet heel lang. Afgelopen maand besloot iemand anders dat hij of zij mijn dure en nog bijna nieuwe moederfiets beter kon gebruiken dan ik. Kan ik inkomen, dus ik kocht een nieuwe. En ik heb geen auto en wel een zoon en verantwoordelijkheden en zo, en nog steeds wensen om verre stukken te fietsen, dus ik koos weer niet voor een simpel modelletje. En ook niet voor een simpel slot. Ik fietste van de winkel naar huis, fiets in het schuurtje, op slot. Zoonlief en ik lopen naar de deur. Zoonlief vraagt de sleutel. En daarna heb ik de sleutels nooit meer gezien.

In mijn schuur staat een heel mooie fiets, de coolste van het schoolplein als ik de website van de winkel mag geloven, en intussen weet ik dat in mijn brievenbus de afstandsbediening voor mijn dvdspeler lag, dat in mijn printer de fiches zijn te vinden van een spelletje, dat er in mijn geluidsbox een tampon, een pen, 3 bouten van zoonliefs werkbankje en een onderdeel van zijn rietjesbeker liggen. En ik weet nu dat ik laatst per ongeluk een wasknijper heb opgezogen en dat mijn afval grotendeels bestaat uit luiers. En ik weet ook dat ik morgen nano weer ouderwets op mijn gammele fietsje, die ooit weken lang op het station stond weg te kwijnen, naar de oppas breng...

maandag 21 januari 2008

BOM BAM ik wil een zusje MAM

Nano wil een zusje.

Dat weet hij zelf nog niet, maar het is wel zo.

En dus zit Nano's mama met de handen in haar haar. Dat ik op mijn 25ste mijn hoofd zou openbreken over het vraagstuk: hoe maak ik een zusje voor mijn zoon dat had ik natuurlijk nooit verwacht. Maar ik pieker me wat af. Mijn hoofd voelt een beetje als een escher-driehoek:
al mijn gedachtes, mogelijkheden en afwegingen, lijken uiteindelijk toch niet aan elkaar te lijmen te zijn, terwijl ze toch een soort van geheel vormen.

Het grote ding is natuurlijk dat stomme regeltje van het takes two, terwijl ik behoorlijk one ben. En dat helemaal niet erg vind, behalve nu dan. En dus zit ik opeens met mijn neus in de artikelen over BOM's en BAM's en ik krijg een bijzonder onpasselijk gevoel als ik er aan denk dat dan zomaar het moment zou kunnen komen dat ik al mijn mannelijke vrienden alleen maar zie als sperma-producenten, dat ik bij ze ga smeken of ik een potje mag hebben van dat wondermiddel.
En dat de bel gaat, en dat dat de meneer van Select Mail is, met een potje sperma in zijn handen. (goed dat ik er over nadenk: het scheelt een hoop stappen als hij gewoon zijn eigen potje sperma bij me afgeeft...)
En ik word letterlijk misselijk als ik denk aan zelf in te brengen spuitjes vol met potentiele zaadjes die na het inbrengen gaan vechten om samen met mijn eitje Zusje te maken. En dat ik dan de komende 20 jaar maar moet zien of die chauffeur van Select net zo'n gevoel voor humor heeft als ik, of dat ik opeens zit opgescheept met een sjaggerijnig Zusje, dat niet snapt dat Gummbah ontzettend grappig is, en Ab Normaal helemaal níét om te lachen is.

En trouwens, ik weet niks van cycli, eisprongen, vruchtbare dagen en dat soort zaken, en ik vertik het te gaan zitten uitrekenen wanneer de tijd rijp is om actie te ondernemen.


En had ik niet ooit besloten dat een kindje goed te doen was alleen, maar dat het met twee allemaal wel heel erg ingewikkeld zou worden?


En was er niet iets met liefde in combinatie met kinderen krijgen?

Dus, uh, allemaal heel leuk dat gebam en gebom (en ze zullen vast niet allemaal meer tuinbroeken dragen en mannen verafschuwen) maar ik geloof dat ik er toch maar niet in mee ga.


Blijft over: toch maar een échte man zoeken, die dan ook bij me intrekt en de vader uithangt voor Zusje, en Zusjes overgeef opruimt, haar kast in elkaar timmert, Nano en Zusje helpt ontbijtje op bed te maken op moederdag. Klinkt goed. Maar ja, zie mijn explosie van 20 oktober afgelopen jaar; ik word er verder niet echt warm van, van de rest van dat idee. En ik ken ook geen enkele (uh jawel, wel een enkele, maar die houdt dan weer van Ab Normaal, leeft 6000 km verderop, of anderzins) man die wél warm wordt van dat idee.



Dus blijft over: een moeder en een zoontje, een onoplosbaar vraagstuk en een handje vol levenswijsheden (tijd heelt alle wonden, komt tijd, komt raad enz enz) die hopelijk toepasselijk zijn.

dinsdag 1 januari 2008

nachigulli

De laatste dagen van mijn tijd in Oeganda had ik nog één blogje in mijn hoofd, over de bijzondere band tussen Nano en Nachigulli, een negenjarig meisje. Terwijl ik in mijn hoofd een begin maakte aan het stukje, wist ik nog niet dat Nachigulli een dag voor mijn vertrek door een auto zou worden aangereden.
Nachigulli dus. Negen jaar geleden geboren in een dorp in Afrika. Haar moeder werd niet lang daarna vermoord door de echtgenote van haar vader. Daar zat ze dan, mamma dood en pappa duidelijk wel wat anders te doen dan een meisje opvoeden. Ze belandde dus bij oma (zie daarvoor mijn les over Moedergevoelens uit het jaar 2005), die haar zonder twijfel opnam, net als de dochter van de vrouw die Nachigulli's moeder om het leven bracht.
Ik leerde Nachigulli kennen in 2005 toen ik voor het eerst naar Oeganda ging. Ze kwam naast me zitten en begon heel venijnig in mijn arm te knijpen. Ze lachte gemeen naar me als ze zag dat ik pijn had van haar geknijp. Vervelend meisje, dacht ik. Ze bleef komen en op een gegeven moment werd het knijpen minder en toen bleek ze gewoon een heel lief meisje te zijn. Ik leerde haar allerlei Nederlandse kinderliedjes die ze nog steeds uit haar hoofd kent (en daardoor is mijn zoon wslk het enige kind ter wereld die 'deze vuist op deze vuist' van een Oegandees kindje heeft geleerd).
Ik begon haar steeds meer te waarderen en had er moeite mee dat ze door anderen vooral werd gezien als een meisje dat alles fout deed. Voortdurend klonk op boze toon haar naam door het dorp, om haar terecht te wijzen op iets wat ze nu weer fout had gedaan (of niet).




Dit jaar kwam ik met mijn zoon naar Oeganda, en Nachigulli en Nano, het was vanaf moment één een perfecte combinatie. Zo jong als ze zijn, zo anders qua achtergrond, leeftijd en taal; die twee hadden een klik waar al snel het hele dorp weet van had en waar de andere kinderen jaloers op waren. Het liefst speelde Nachigulli net iets te wilde spelletjes met Nano, hetgeen Nano bijzonder goed wist te waarderen. Schaterlachend liet ie zich om haar lichaam heen gooien terwijl zijn moeder er alles aan deed niet heel bezorgd haar kind uit de handen van Nachigulli te trekken. Of ze liep de hele dag met Nano op haar heup of rug door het dorp. Ze gaven elkaar dikke knuffels en kusjes.

Ze zongen samen liedjes en Nachigulli kwam elke dag voordat ze naar de put vertrok om water te halen even dag zeggen tegen haar vriendje. Dat afscheid viel steeds zwaarder, en toen Nano het op een hartverscheurend krijsen zetten zodra zij zwaaiend uit het zicht verdween, besloot Nachigulli Nano elke dag op haar rug mee te nemen naar de whale. Vrolijk zwaaiend 'bye mama' verdween Nano dan uit mijn gezichtsveld; het afscheid met zijn moeder ging hem duidelijk minder moeilijk af. De heenweg naar de put toe was een groot feest. 2 Kilometer de helling afrennen terwijl de jerrycannen achter hun aanbungelden. Op de terugweg moesten die twee kilometer omhoog geklommen worden, ditmaal met volle jerrycans. Bikkel Nachigulli, nog steeds maar 9 jaar oud, tilde elke dag eerst de jerrycans een stuk de helling op om vervolgens terug te rennen om Nano op haar rug te tillen om het stukje helling opnieuw te beklimmen. In dubbele etappes legde ze de route al tillend af. En ze deed het met liefde.

Ik wandelde met een vriend een heel stuk de bush in, om te kijken waar hij een huis had gebouwd, toen zijn telefoon ging. Hij sprak in Luganda, hing op en zei tegen mij: there is terrible news. Nachigulli is hit by a car.
Ik omarm oma, die als een hoopje ongeluk in de hoek van de kamer zit. Ik krijg mijn tranen niet onder controle. 'Nachigulli is probably dead' waren Bakers woorden geweest toen we hem in het dorp tegenkwamen. Ik kon moeilijk inschatten hoe ik die woorden moest interpreteren. Was het in het rijtje van al die verkeersdoden, van al die mensen die overleden waren in de tijden dat ik in Oeganda was, van de vriend van Baker die de dag daarvoor zomaar overleed? Of paste het meer in het rijtje van al die mensen die ik dit jaar weer begroet had, ook al had ik van Baker aan de telefoon over velen van hen gehoord dat ze 'almost dead' waren?
Ik baalde dat ik nooit had geleerd te bidden en dat ik nergens in geloofde waarnaar toe ik zou kúnnen bidden dat Nachigulli bij die laatste groep zou horen.
Terwijl ik buiten bij oma mijn zoon bezighield, kwam het nieuws. Nachigulli is back. She is allright.
Ze lag op de bank. Met grote verbaasde en angstige ogen keek ze de kamer rond. Geen blik van herkenning, wel van grote angst. She is allright. En ze hadden haar een wit zakje met 6 pillen meegegeven, 3 times a day, had de nurse er op gezet. Geen diagnose, geen bijlsuiter, niks. She is allright. Ze kan niet meer normaal nadenken, ze herkent niks of niemand, maar ze is allright hoor. Terwijl mijn zoon naar haar toekroop, werd ik overvallen door een ontzettend woest gevoel over de gezondheidszorg. Tuurlijk, het was een groot feest te zien dat ze leefde, maar mijn hoofd kon er niet bij dat doktoren zo'n ongeval met een zakje ondefinieerbare pillen afdeden. Niet eens een advies dat ze moest blijven liggen of iets dergelijks. Ik maak me boos dat niemand haar vertroetelt. Wat is dat toch voor iets geks met dit land, dat zelfs als een kind een zwaar auto-ongeluk heeft gehad, niemand haar een knuffel geeft?


De glimlach die altijd op haar gezicht verschijnt bij het zien van Nano, blijft achterwege. Wel slaat ze haar arm om hem heen en sluit hem zo in haar armen, in haar wereldje.
Ik eis dat ze terug gaat naar een goed ziekenhuis. Dat doen ze.
Ze komen terug met een veel grotere berg medicijnen. En een iets beter gestelde Nachigulli. Ze lacht als ze Nano ziet en Nano blijft tot we weer vertrekken naar Nederland in haar armen liggen als mascotte die haar weer helemaal beter zal maken.


Lieve lieve Nachigulli, ik hoop zo dat die gekke pillen haar echt zullen helpen, dat haar hersenen niet op een of andere manier toch allerlei langetermijnschade hebben opgelopen, en dat ze volgend jaar weer even vrolijk als voorheen met mijn zoon door het dorp zal springen.

donderdag 27 december 2007

wat plaatjes kunnen nooit kwaad





Bad Manners

Daar zit je dan met je twee jaar lang de ontzettend goede ouder uithangen. 3 weken Oeganda en je bent weer terug bij af...

Zo hebben we:

Bad Manners

Daar zit je dan met je twee jaar lang de ontzettend goede ouder uithangen. 3 weken Oeganda en je bent weer terug bij af...

Zo hebben we:

Nano’s speen.
Die gebruikt ie nu ook weer overdag.
Reden: In Oeganda houden ze niet van huilende kinderen. De Oegandezen zelf houden hun kroost stil met slaan of met geschreeuw, ik prefereer in dit geval de speen.
Maar: geen gemaar, behalve dat ik um alweer aan het afleren ben, het staat namelijk echt stom op foto’s J

Mamma’s bed.
Dat is nu ook Nano’s bed.
Reden: Van zijn helemaal meegesleepte bedje moet meneer vanaf nacht 1 al niks weten. Daarbij past het ook op negen van de tien inimini kamers waar we slapen niet.
Maar: het is wel heeeel erg lief eigenlijk; die armpjes om je nek, dat gesabbel aan je neus, dat gekriebel op je rug en dat heerlijke geluid van je slapende kind zo vlak bij je. Het is weer eens zo’n moment dat ook ik niet aan dat vreselijke gevoel van onophoudende liefde voor zoonlief ontkom. Minder is het als je net te kampen hebt met de ergste diaree-aanval ever (Merry Christmas!), en zoonlief de tien keer dat je uit je bed sprint om naar buiten te rennen om een meter of vijftig verderop boven een gat in de grond te gaan hangen, niet genoeg vindt, en je dus nog af en toe een extra trap geeft in je maag.
Maar2: Wie weet zijn we nu eindelijk af van die idiote gewoonte van meneer dat ie het vertikt als we ergens logeren om met mij een kamer te delen.

Nano’s bedtijd ritueel.
Daar ligt mamma nu naast.
Reden: In Oeganda houden ze niet van huilende kinderen. De Oegandezen zelf houden hun kroost stil met slaan of met geschreeuw, ik prefereer in dit geval mijn gezelschap om meneer in slaap te sussen.
Maar: geen gemaar, dit moet snel afgelopen zijn als we thuis zijn. Ik zie mezelf al opgevouwen in zijn ledikantje liggen...

Sweet memories to Uganda.
Snoep en andere ongezonder troep.
Reden: Je ontkomt er niet aan. Toen we hier de vorige keer waren, dacht ik nog dat het een grapje was toen nano bij zijn doop van menigeen een lolly kreeg. Niks bleek minder waar. Je hoeft je hoofd maar om te draaien of er zit een snoepje of lolly in. En meneer pikt het ook niet meer als jan en alleman om zich heen zich te buiten gaan aan allerlei lekker en hij niet mag van zijn mammie omdat die zo nodig vindt dat meneer ook nog wel kan genieten van een stuk komkommer zolang ie geen weet heeft van wat voor slechts doch lekkers er allemaal te koop is in de wereld.
Maar: genoten heeft ie.

Prik met een rietje.
Ook dat is een feit.
Reden: daar zit je dan, warmte waar je U tegen zegt, een kind dat roept ‘ drinken drinken’, een land waar ze aan sapjes niet echt doen, en een bar waar dus alleen maar ‘soda’s’ te koop zijn. En een stem in mijn hoofd die roept: ‘ laat je kind genoeg drinken, laat je kind genoeg drinken’. Verkocht.
Maar: hij had ten minste geen dorst meer.

Nano’s zin.
Die krijgt ie opvallend vaker dan normaal.
Reden: Ergens diep in me geloof ik dat ik het gevoel heb dat ie wat tegoed van me heeft omdat ik um helemaal naar dit land heb gesleept (geheel onterecht overigens, denk ik, want meneer geniet erg van alles, en op zijn paar zieke dagen na, gaat ie erg goed gemutst en breedlachend door het Oegandese leven), en ik denk snel als ie dreint of zo dat dat vast is omdat het hier allemaal zo anders is voor hem hier.
Maar: uh, het is lekker makkelijk zo...en straks ga ik weer opvoeden.

Al met al heb ik eindelijk eens een rijtje met goede voornemens om in 2008 mee aan de slag te gaan.

Verkeer(d)

Het is voor een moeder uit een land waar je door je college-ouders zonder twijfel aan de schandpaal wordt genageld als je je kind zonder autostoeltje naar de buren rijdt, nogal wat om rond te reizen in een land waar de kinderen meestal half uit het autoraam hangen, achterop een truck tussen de zakken bonen vervoerd worden, voorop een motor zitten terwijl ze amper zelfstandig kunnen zitten, of met 20 kinderen vervoerd worden in een auto die eigenlijk gemaakt is voor een stuk of vier personen. Het is toch best nog een moeilijke afweging: waarom zou mijn kind zoveel meer waard zijn/beter zijn dat hij niet op dezelfde manier vervoerd wordt als het gros van de kinderen dat op deze aarde rondloopt? Van de andere kant: wat als ik kan voorkomen dat ie bij een ongeval vreselijk verminkt raakt, of komt te overlijden? Gelukkig vergemakkelijkt de afstand die ik heb genomen van het backpackersbestaan mijn keuze, en geef ik dus –zelfs voor nederlandse begrippen- astronomische bedragen uit om van de ene kant van het land met een prive-driver en soms zelfs het enige autostoeltje van Oeganda voor mijn eigen prins vervoerd te worden naar de andere kant van het land. Ik voel me een soort minister als het land aan me voorbij trekt terwijl ik niet met opgetrokken knieen, kakelende kippen en zwetende oksels van vreemden in mijn neus, rustig een krantje of boek lees. Naast me kijkt mijn zoon zijn ogen uit als we een grote stad binnenrijden en talloze overladen taxibusjes en andere vervoersmiddelen ons stapvoets passeren. Een bende aan voetgangers en fietsers met de meest uiteenlopende vrachten op hun bagagedrager of hoofd gebonden riskeren hun leven door tussen het drukke verkeer door te manouvreren. Verlaten we de stad dan laat mijn zoon zich graag in slaap sussen bij het zicht op prachtige landschappen en door het gehobbel van de slechte wegen.
Mijn driver vervoerde me op een dag naar een ferry die me naar een van de paradijselijke plekken van Oeganda zou varen. Uiteraard vroeg meneer de driver op het laatst nog even een 20% extra dan de afgesproken prijs, en vraag ik me hardop als een soort Carice van Houten af of het nou nooit ophoudt.
Toen de ferry mij, mijn prins en mijn Oegandese vrienden over het Victoriameer had geholpen, was ik ineens als een echte backpacker weer overgeleverd aan het normale vervoer. Ik propte mezelf, mijn prins, mijn Oegandese vrienden, en mijn bergen vol bagage in een taxibusje. Toen ik eenmaal zat, mijn zoon op mijn schoot, mijn bil op het bovenbeen van mijn buurvrouw, merkte ik dat ik niet de enige was die in deze taxi plaats had genomen. Terwijl er boven de driver met verf was geschreven dat er 15 personen vervoerd konden worden, kwam ik al snel tot 25 man, waarvan een deel kinderen.
De driver tutert boos naar een taxibusje dat voor ons stil staat op de weg. Met enig gemanouvreer rijdt ie door de greppel om het busje in te halen. Ik kijk uit het raampje en zie in een flits een bodaboda (brommer-taxi) liggen, twee benen liggen roerloos om de bodaboda geklemd. In een reflex scherm ik mijn prins’ ogen af –is het toch nog helemaal goed gekomen met dat moedrinstinct van me- draai mijn eigen hoofd ook de andere kant op en terwijl alle andere 24 passagiers over elkaar hangen om te zien hoe de bodabodarijder met bloed spuitend uit zijn gezicht zijn laatste adem uitblaast, denk ik vanzelf terug aan een week geleden. Toen ik ongevraagd getuige was van een vreselijk ongeval. Recht voor mijn neus werd een bodaboda geramd door een taxibusje. De bodaboda vloog met een behoorlijke snelheid over de straat heen. De passagiers rolden over de straat. Ik schrok, maar mijn hart kromp pas echt ineen toen ik zag dat er een klein babytje, een paar maand oud, een eindje verder op de straat terecht kwam. De moeder strompelde naar haar toe, en terwijl mijn maag helemaal samentrok, zag ik haar haar kind optillen. Wat voor haar niet zichtbaar was, was een beeld dat mij nog dagen lang ’s nacht heeft wakkergehouden. Het achterhoofdje van het kindje. Of dat wat daarvan over was.
Had ik er nooit echt over getwijfeld, vanaf dat moment was het voor mij in een klap helemaal duidelijk: ik ga nooit of te nimmer met mijn zoon op een boda-boda zitten, hoezeer de infrastructuur van Oeganda ook gebouwd is op dit vervoersmiddel. Ik loop wel kilometers met zoonlief op mijn rug, alles liever dan dit risico lopen.
Intussen reed de taxibus alweer vrolijk verder. En mijn zoon, die sliep lekker door, zijn hoofd steunend op mijn buurvrouw, zijn voeten leunend op een doos met kippen. Hem zal het allemaal worst zijn hoe ie vervoerd wordt, als er maar bobbels in de weg zitten die hem in slaap sussen.


(noot: om dit bericht te posten heb ik vorige week anderhalve mijl met mijn zoon op mijn rug een heuvel opgelopen om er uiteraard achter te komen dat er geen power was. Ook net op bijna het heetst van de dag met nano op mijn rug door een uberhete en drukke stad gesleept. het is wat, leven zonder boda boda)
een van de mooie landschappen die nano in slaap sussen, vlakbij Kabale, Zuid Oeganda

zaterdag 22 december 2007

het medicijntasje en nano

(voor de tweede keer, want opeens viel de stromm uit, grom grom)

hoe dol moeder ook op haar medicijnentasje is, mijn zoon -nano: ik heb vast wel eens over hem verteld- heeft een gruwelijke hekel aan het ding. De gestreepte stof hoeft maar te verschijnen tussen de kleren in mijn koffer, of nano zet het al op een brullen en begint te stampvoeten. Oorzaak? Nano's moeder wilde per se op vakatnie naar een land waar de malariamug veevuldig huishoudt. Dus dient nano elke dag anti-malaria-spul tot zich te nemen. ' Je zegt gewoon tegen hem da het een snioepje is, dan neemt ie het vast zonder problemen' zei de apotheker nog opgewekt tegen me. Haha. Mijn zoon weet neit wat snoepjes zijn, wel weet ie dat ie totaal niet zit te wachten op een ranzig bitter pilletje. Dus is het elke dag een martelgang van een paar uurom dat ding naar binnen te krijgen. Inmiddels hebben we door het gebruik van een spuitje, zonder naald uiteraard, de martelgang weten te beperken tot een paar minuten, maar de tranen die erom vloeien zijn helaas niet minder geworden...

Uiteraard gebeurde ook het onvermijdelijke: nano werd -na vrolijk met alle kinderen in the village zijn speelgoed te hebben gedeeld, net als zijn koekjes, en het prut onder hun nagels en en en- ziek. Terwijl we recht op de evenaar een pauze hielden, sloeg zijn termometer 39.8 uit. Uiteraard viel meteen het M-woord, maar wijs geworden door mijn ervaring afgelopen jaar, en met hulp van deze of gene ontzettend ervaren nederlandse oegandees die al meerde malen aan den lijve van haar mooie kinderen heeft ondervonden hoe oegandesen altijd alles op malaria gooien, kregwen we er toch de juiste diagnose uit: een bacteriele infecte. En dus kwamen we het hospital uit met vier flesjes medicijnen die elk om de 6 uur het lichaam van mijn zoon moesten zien binnen gewerkt te worden. Een groot feest. Vooral omdat de oegandezen het nodig vinden van alles aan de medicijnen toe te voegen om het maar 'leuk' eruit te laten zien en te laten ruiken en smaken, maar waardoor het voor mijn, en mijn zoons, zintuigen een grote chemische vergifzooi leek. De martelgang van dat ene malariapilletje per dag werd dus enorm uitgebreid, zijn huilen moet tot in het dorp verder te horen zijn geweest. En mijn tranen liepen onophoudelijk bij het, met heel veel kracht, toedienen van al die troep, wat deed ik mijn zoon toch aan????
Inmiddels is meneer met behulp van hetchemische vergif, de frisse lucht aan een geweldig mooi lake, en de goede zorgen van bovengenoemde nederlandse oegandees (en van zijn moeder natuurlijk ook, want zo slecht bedoelde ze het allemaal niet) weer netjes helemaal de oude. Hij geniet volop, en hoeft niet meer bang te zijn voor het medicijnzakje; die heeft het namelijk begeven nadat het arsenaal aan medicijnen ineens zo werd uitgebreid...

zondag 16 december 2007

benidorm

Hoe naief kun je zijn? dacht ik even met mijn trolley en mijn geboekte hostelkamer en geregelde taxi een soort benidormreis te gaan maken waarbij alles van een lijen dakje zou lopen.

Na een reis die volledig volgens het boekje verliep (mijn eigen prins had een hele stoel voor zichzelf, waardoor alle cadeautjes en dvd's in mijn tas bleven en ik zelf 'alles is liefde' heb kunnen kijken en een nieuw record tetris heb weten te vestigen) kwam ik aan in een entebbe. We werden niet verwelkomd door een bordje met onze naam , maar door een enorme regenbui en onweer waar je u tegen zegt (en nano zegt daar dan lamp tegen). Oke, mijn taxi was er dus niet...Na een tijdje ronddwalen en taxichauffeurs van me af te slaan, mijn onderhandelingskunde maar eens uit de rugzak gehaald, en voor een heel aardig prijsje zat ik na een tijdje dan toch in een auto, op weg naar onze gereserveerde kamer.
'backpackers hostel' stond er opeens op de muur. hadden die knakkers hun naam veranderd, kwam ik daar met mijn trolley aanzetten, sliep ik nog tussen de stinkende backpackers. Ik dacht alleszins dat ik zou gaan slapen, echter: de door mijn gereserveerde kamer was locked, de sleutels nergens te vinden. Zelfs nano's magische sleutels die in het vliegtuig elk geheim gat hadden weten te openen, kregen de deur niet open. Mooi weer, een reserveerde taxi, een gereserveerde kamer in een hostel, het was me allemaal niet gegund, blijkbaar zie ik er met nano op mijn rug toch nog te veel uit als een backpacker...
Gelukkig is flex nog steeds mijn middlename (en komen mailtjes gericht naar flex1.beeld@tros bij mij terecht) en zo kwam het dat ik met een hardlachende nano alle reuzesprinkhanen uit ons muskietennet haalde, terwijl naast mij een zweedse backpacker in slaap viel, en een kamer verder iemand luid genoot van het lichaam van een oegandees...

Och het is zo slecht nog niet toch nog een beetje een backpacker te zijn!

zaterdag 8 december 2007

medicijnzakjes en backpackers


Een paar uur voordat ik word opgepikt, zit ik redelijk rustig een lapje te naaien op mijn medicijnzakje. Een zakje dat járen geleden al door mijn ouders werd meegenomen op hun reis naar India, en aan de stiksels te zien heeft een van hen het zelf in elkaar gezet toendertijd. Enige reparatie is na al die jaren en al die reizen wel nodig, dus ben ik in de laatste uren thuis met draad en naald in de weer.

Dat had vroeger natuurlijk nooit gekund; toen moest ik op het laatste moment mijn hele tas nog inpakken. Mijn backpack, die ik dit jaar voor het eerst heb ingeruild voor een trolley (en een rugdrager en een bedje en een handbagagetas en een rugzakje voor nano...woej, wat is het toch leuk met een kind te reizen...!). Daarmee ben ik vanaf nu vast ook geen backpacker meer...Laat staan die stoere backpacker die altijd vol trots met een inimini backpack de minste kilo's uit de bagageweegschaal wist te krijgen. Die zich geen minuut zorgen maakte over de vlucht (en dus niet tig keer aan de telefoon hing met klm met vragen over kindervoeding, vrije stoelen, in te checken rugdragers enzovoort enzovoort). Die geen vliegangst had en zelfs met een lichaam nog half in de roes van het feestje de avond ervoor, vrolijk het vliegtuig uit sprong (terwijl ik nu al ongeveer 150 keer bedacht heb dat ik het toch wel echt heel jammer zou vinden als het vliegtuig neer zou storten) . Die alle adviesen over veiligheid, inhoud van medicijntasje en wel en niet te eten voedsel aan haar laars lapte. Die het voor mietjes vond om van te voren een hotel of hostel te boeken voor de eerste nacht...


Nee ik moet eerlijk zijn:


Ik ben geen backpacker meer.



Terwijl ik de laatste steekjes aan het medicijnzakje naai, zie ik in mijn gedachten Nano over een jaar of 14 met een backpack op zijn rug, vol spanning over zijn eerste reis alleen naar het land van zijn vader, aan zijn moeder vragen of ze alsjeblieft op het laatste moment nog een lapje wil naaien over een gat in het medicijnzakje dat zijn opa en oma ooit nog mee naar India hadden genomen. Dan heb ik met deze reis mijn doel bereikt en is tevens het backpackerstokje doorgegeven...Komt alles toch nog goed!

dinsdag 23 oktober 2007

tjielp

nano in de tuin. Vogels fluiten. Nano roept: 'foon!'....Wat een klotegeneratie.