Non Fictie/Fictie

donderdag 19 maart 2009

nachigulli deel 2


Het afgelopen jaar is me regelmatig gevraagd of ik wist hoe het met Nachigulli ging, het meisje dat zo'n bijzondere band met Nano had en dat 2 dagen voor wij Afrika verlieten door een auto werd aangereden. Ik wist het antwoord nooit. Moest afgaan op de berichtgeving uit Oeganda. En het bericht uit Oeganda was, dat het goed met haar ging. Maar in datzelfde Oeganda werd Nachigulli een jaar geleden teruggebracht uit het ziekenhuis, lag ze totaal in shock op de bank, en werd ook door iedereen gezegd dat het goed met haar ging, ondanks dat haar lichaam, haar ogen iets héél anders zeiden. Dus.

Ik had me verheugd op het weerzien tussen Nachigulli en Nano. Ze hadden het afgelopen jaar een aantal keren gebeld, enkel elkaars namen zeggend. Nachigulli lachte, Nano straalde.

Het weerzien was anders dan verwacht. Nachigulli viel in haar mooiste jurk Nano om de nek, maar Nano was meer geïnteresseerd in Dion.

Op Nachigulli's voorhoofd zit een litteken. Van dé dag. Als ze lang in de zon is geweest wordt ze tijdelijk gek. Dan gilt ze dat ze last van haar hoofd heeft. En dan krijgt ze een pilletje. En dan gaat het weer goed met Nachigulli. Nou ja, goed. Ik heb haar stralende lach echter maar weinig gezien. Meestal was ze stil, als ze er al was. want Nachigulli is 10, en in Nederland betekent dat een heerlijk leven met school, clubjes, vriendjes en vriendinnetjes. In Oeganda betekent dat tot 5 uur blokken op school en daarna een huishouden runnen, water halen, koken, wassen, schoonmaken. Heeft Nachigulli het even gehad na een stomme dag op school en mokt ze wat over het werk dat ze daarna thuis nog moet doen, dan krijgt ze een ferme klap in haar gezicht. En ik kijk toe, met een knoop in mijn maag.
Ik blijf het een van de confronterendste dingen van Afrika vinden; het verschil in hoe kinderen opgroeien.
Nano's leeftijdsgenootjes slepen al met water, lopen alleen door het dorp, knielen voor volwassenen, zijn gehoorzaam en gaan slapen zonder te mokken, zijn niet nieuwsgierig,vragen niks, want dat is not done.
Nano vraagt me de kleren van het lijf, (ik denk dat ik zonder overdrijven elke dag minimaal 30 keer 'waarom' heb gehoord) uit zijn gevoel, zegt als ie dingen niet leuk vindt, krijgt begrip als ie worstelt met zichzelf of zijn omgeving, wil soms uit luiigheid gedragen worden, wordt boos als ie te weinig drinken krijgt, of in de verkeerde beker.
Misschien heeft Nachigulli een leeftijd dat ze dat verschil aanvoelt. In ieder geval heeft ze de leeftijd dat het taalverschil, waar nano's leeftijdsgenootjes zich amper bewust van lijken te zijn, voor haar in de weg zit. En dus kijkt ze die paar momenten dat ze in de buurt is bijna jaloers toe hoe de jonge kinderen met Nano spelen zoals zij dat vorig jaar ook nog deed.

Nu heb ik dus zelf gezien hoe het met Nachigulli gaat, maar ik durf niet te zeggen of het goed met haar gaat of niet. Wel weet ik inmiddels zeker -en helaas eindig ik mijn blogs van deze reis met een enorm cliche, waarvoor mijn excuses- dat het leven van een tienjarig meisje in Oeganda echt niet over rozen gaat...



(de blogjes van afgelopen maand heb ik thuis een beetje opgeleukt met foto's en zelfs een enkel filmpje, voor de liefhebber.)

dinsdag 17 maart 2009

Nano spreekt op de evenaar deel 3

Het hoogtepunt van Nano's kou moest nog komen toen ik het blogje erover schreef.
'Mama, als we straks naar Nederland gaan, kunnen we lekker weer de verwarming aan he!'

Voor onze auto loopt een prachtige lizard. Ik vraag aan Nano: 'Wie is dat?'
'Dat is mijn vriend!'

Nano analyseert de dag dat hij ziek was in Oeganda:
'Misschien had ik wel te weinig televisie gekeken.'

Halverwege de reis, bij het zien van een ontzettend onsmakelijke 'toilet'
'Laat maar mama, ik poep wel weer in Nederland'

Nano kan er maar niet aan wennen dat ze in Oeganda de gewoonte hebben iedereen onder de pak-um-beet vijf aan te spreken met Baby. Dus klinkt het minimaal 10 keer per dag, op zéér boze toon:
'IK BEN GÉÉN BABY!!!'


Op de laatste dag bekijk ik hoe Nano vol overgave met zijn Oegandese vriendjes speelt. Net als vorig jaar heeft hij weer vrienden waar hij ontzettend van geniet, waar hij gearmd mee door het dorp wandelt, waar hij zelfs als we een dagje weg zijn, chappatti's voor bewaart. Ietwat bang dat hij ze wel heel erg zal gaan missen, zeg ik: 'Das jammer he, vanaf morgen kun je niet meer met je vriendjes spelen'.
'Das toch niet erg, in Nederland heb ik ook vriendjes, hoor.'

's Avonds voor het slapengaan, klinkt het nu (en ook hier 6365 kilometer van de evenaar af) elke avond:
'slaap lekker, goodnight, see you soon en sula bulungi'
mijn globetrottertje....

met kop en schouders...













dinsdag 10 maart 2009

luxe in oeganda

Nano en ik hebben een uitrustdagje. Niet dat we het nodig hebben om uit te rusten want we hebben net een aantal dagen mogen uitrusten op het paradijselijke landgoed van een Nederlandse vriendin en haar drie Nano-look-alikes. Maar we moeten een middag overbruggen in een stad waar weinig te beleven is. En dus belanden we in een luxe hotel waar we gebruik maken van het buitenzwembad.
En dus leer ik Nano zwemmen met zijn vleugeltjes om. Maak ik handstanden onder water terwijl hij mijn benen probeert te vangen. Smeert hij mijn rug in met grote klodders zonnenbrand om te voorkomen dat ik weer helemaal verbrand. Kijk ik naar hem hoe hij smikkelend van een groot bord frietjes geniet. En valt hij in slaap tussen mijn benen in, mijn bovenbeen gebruikend als een kussentje, en uiteraard een handdoek om zich heen omdat meneer het koud heeft. En terwijl mijn zoon daar zo ligt te slapen en ik uitkijk over het blauwe zwembad, bedenk ik me dat het niet veel verschilt van een vakantie in Spanje. En dat dat helemaal zo slecht nog niet is.

Maar als ik aan het eind van de dag met mijn zoon in een shared car stap, een gewone personen auto waarbij er op de achterbank naast nano en mij nog vier andere mensen plaatsnemen, en we rijden tussen de tuterende vrachtauto’s volgeladen met matoke, ben ik toch ontzettend blij dat dat zwembad in Oeganda ligt en niet in Spanje.

Visite

Het is eigenlijk bijna een wonder dat ik na drie reizen naar Oeganda nog nooit een blogje heb geschreven over visite in Oeganda. Dat is namelijk eigenlijk best wel een blogje waard…
Er komt elk jaar dat ik hier ben geregeld bezoek. Ik herken het meestal aan de vele slippers en sandalen die bij thuiskomst opens voor mijn deur staan. Of Baker komt me buiten vertellen dat er visite is. Hij vertelt het met een kleine twinkeling in zijn ogen, alsof het onverwachte bezoek ongetwijfeld het hoogtepunt van de dag zal vormen. En de eerste keren had ik door Bakers enthousiasme zelf ook bepaalde verwachtingen. Daar is na vier keer Oeganda en na tig visites niet meer zo heel veel van over.
Ten eerste komen die bezoeken bijna altijd op een vervelend moment. Bijvoorbeeld als ik net mijn kind op bed probeer te krijgen (en nee sorry, mijn zoon is er niet aan gewend om te gaan slapen in een kamer vol met mensen). Of als ik net een dag met diaree en koorts in bed lig te ijlen (dat is me dit jaar gespaard gebleven, met nog drie dagen op de teller!!!), Of als ik net een dag heb dat het idee overheerst dat al het positieve dat altijd over Afrika wordt verteld en geschreven schromelijk is overdreven. Ze komen kortom altijd als mijn hoofd niet naar bezoek staat, wel naar lieve Nederlandse vrienden natuurlijk die langs komen, maar niet naar het bezoek dat hier op mij staat te wachten. Wat voor mensen dat zijn? Dat is mij ook nog steeds een raadsel. Meestal ken ik de gezichten niet als ik mijn kamer betreed waar het bezoek al plaats heeft genomen. Ik word aangestaard, bekeken. Ooit dacht ik dat dat het beginstadium is van een conversatie. Inmiddels weet ik dat het ook het eindstadium is. Het bezoek spreekt namelijk 9 van de 10 keer geen Engels. En zelfs als ze wel een beetje Engels spreken, leiden mijn pogingen om een gesprek altijd tot niks. Blijkbaar komt mijn visite hier niet om met mij te praten over de wereldproblematiek, of over het weer in Nederland of desnoods over de kwaliteiten van Seedorf en Robbe. Ze zitten, kijken naar me, gniffelen wat naar elkaar in Luganda, of houden hun mond. En ze blijven zitten. Tot ik me al honderd keer ongemakkelijk heb gevoeld, vijftig keer naar de deur heb gekeken of Baker me niet komt redden –hetgeen hij nooit doet, want het is mìjn bezoek, dus. Daar zit je dan, met je diaree, je huilende slaperige kind of je pokken-humeur. En met je zwijgzame, starende bezoek. Gezellig is anders. Maar we zitten hier dan ook niet in het land van de gezelligheid.
Op bezoek gaan bij mensen heeft al net zo min iets te maken met gezelligheid. Een aantal weken geleden ging ik bijvoorbeeld op bezoek bij de overgrootmoeder van Nano. Er was een speciale gelegenheid want op deze dag zou Nano’s navelstreng door haar middels allerlei rituelen in een soort siraad verwerkt worden om vervolgens met allerlei muntjes en kralen en kruiden goed ingepakt te worden. En dus zat ik op een warme zondagmiddag, op de verjaardag van mijn zwager, in de woonkamer van nano’s grootmoeder. Baker was hem uiteraard binnen een paar minuten alweer gepeerd, wederom niet doorhebbend dat het toch ietwat ongemakkelijk is om uren door te brengen in een kamer met mensen die een totaal andere taal spreken, als ze al spreken. Uren ja, want volgens gebruik verlaat de gastvrouw zonder pardon de ruimte om -terwijl jij in de woonkamer wacht- uren in de keuken door te brengen om een uitgebreid maal klaar te maken. Daar zit je dan dus, uren. Zwijgend. Tenzij je je zus en jarige zwager meeneemt. Dan speel je een spelletje ‘ik ga op reis en neem mee…’ om de tijd te doden. Waarbij eigenlijk nog vòòr de tandenborstel en de reiswekker hoort ‘Ik ga op reis en ik neem mee: een zus en zwager om mee te nemen als je op bezoek gaat om die vreselijk saaie uren op een plezierige manier door te komen’.



nano bekijkt zijn navelsteng, ingepakt volgens de traditie van de lungfish-clan. Nano heeft de hele ceremonie gehuild, gekrijst. dus dit was een absoluut lucky shot...

Een mama op de boda boda

Het was voor het laatst in 2005 dat ik op een boda boda (brommertaxi) had gezeten, de reden valt te lezen in mijn blog van vorig jaar over het verkeer in Oeganda.
Gisteren ging ik even alleen op pad, zonder zoon. Ik merkte een kleine twinkeling in mijn ogen toen ik bedacht dat dat betekende dat ik weer eens op de boda boda zou kunnen rijden. Ik liep opgewekt richting een boda-boda verzamelplek (in dorpen vaak te herkennen aan een grote boom waaraan een aantal jassen hangen van de boda-boda-jongens – ik moest het in Kampala helaas doen met een lantaarnpaal). Ik werd gewoon vrolijk van het aanspreken van de jongens, van het onderhandelen over de prijs, en zelfs van het daarna alsnog veel te veel betalen.Ik klom achterop, benen netjes aan een kant en genoot van hoe we door het verkeer door suisden, hoe het heerlijke vier-uur-zonnetje de stad verlichtte, hoe we langs massa’s mensen reden en hoe massa’s mensen langs ons reden.
En ik besef dat ik sinds ik moeder ben ontzettend kan genieten van dat soort kleine dingen die ik over het algemeen niet meer kan doen met een kind.
Ik moest ook weer terug. In het donker. Hoewel ik met een vriend besloten had alleen een boda boda te nemen met goede verlichting, beland ik tijdens het onderhandelen alsnog op een boda boda zonder achterverlichting. We zijn nog geen vijf minuten op weg, als er per ongeluk een gedachte in mijn hoofd opkomt. 1 seconde maar, maar het is al te laat. ‘als me nu iets overkomt, zie ik nano nooit opgroeien’. Wat een zinloze gedachte, maar het kwaad is al geschied. Ik zie om me heen dat we de stad uitrijden, we komen in steeds desolatere gebieden, tankstations, sloophopen. Ik zie namen van wijken en probeer me te herinneren of het klopt met de route die leidt naar mijn bestemming. Ik herken niets, niet heel gek aangezien ik dit deel van Kampala ook niet echt ken. Maar het maakt me toch steeds ongeruster. Heeft deze boda-boda-jongen niet een heel ander plan dan mij afzetten op het taxipark in Natete? Ik heb een hekel aan angst, maar voordat ik het weet probeer ik me te herinneren welke martelmethodes een dag eerder tijdens een gesprek met mijn reisgenoten ter sprake zijn gekomen. Zou ik hem met mijn duim in zijn oog kunnen drukken, terwijl ik met mijn andere vingers zijn kaak vasthou? Wat een waanzin… Was ik maar een sterke vrouw, die haar hele leven potten op haar hoofd heeft getild en dit jochie ook wel de baas zou kunnen. ‘Een vriend wacht op me in Natate’ Sterke zet, eef. Nu zal ie vast schrikken. Ik maak me steeds oprechtere zorgen over de route die hij neemt. Ik had toch een paar herkenningspunten verwacht, maar herken helemaal niets van wat ik zie. Ik probeer te bedenken of het nou slim is om te laten blijken aan de meneer voor me dat ik het idee heb dat ie niet de goede route rijdt. Na lang wikken en wegen vraag ik hem welke route hij neemt. Hij zegt dat we er bijna zijn. Ik kijk om me heen, ken Natete best wel, maar ik herken wederom niks. Foute boel dus. Amai.

Vijf minuten later zit ik in de taxi in Natete. Mijn linkerbovenbeen leen ik uit aan de bil van de conducteur, die zijn taxi zo vol heeft geladen dat er nergens anders plek is voor hem. Ik geniet van hoe de kleine dorpjes er in het donker uit zien en hoe de meneer naast me zich ontfermt over of ik wel comfortabel zit.

dinsdag 3 maart 2009

de mango valt niet ver van de boom

Mijn eerste nacht in Oeganda droomde ik over een heerlijk ontbijt met een kom conrflakes. Ik werd bijna watertandend wakker. Na een dag was er natuurlijk nog geen enkele reden om Nederlands eten te missen, maar de ervaring van voorgaande reizen naar Oeganda zorgde er voor dat ik na een dag al bijna heimelijk terug dacht aan het Nederlandse eten. Mijn zoon is niet veel anders. Al na een paar dagen begon het. We kunnen met z'n tweeen na een Oegandese maaltijd te hebben genuttigd heerlijk hardop fantaseren over al het Nederlandse eten. Dan noemen we al schuimbekkend omstebeurt de lekkerste toetjes op die we kunnen bedenken. Of de lekkerste gerechten die we thuis eten. Of Nano vertelt dolenthousiast over al het eten dat hij bij Nijntje krijgt. (En dat zijn boontjes uit potten en andersoortig onsmakelijk eten, kun je nagaan). Heerlijk om een zoon te hebben die dezelfde liefde heeft voor eten -en ook dezelfde afkeer voor de niet al te smakelijk Oegandese keuken...
Gelukkig heeft nano de afgelopen weken toch ook zijn eigen favorieten ontdekt, als het om eten in Oeganda gaat. Elke ochtend stapt ie door het dorp heen, in zijn broekzakje Oegandese Shillings. Bij het minisupermarktje haalt hij yoghurt uit een zakje, maar niet voordat hij eerst heeft gekeken of de chapatibakker al wel aan het werk is voor hem. Want daarna gaat hij meteen door naar zijn favoriete kraampje. Een wit bouwvalletje van een metertje breed. Ze bakken de lekkerste chappaties van het dorp. En nano kan er geen genoeg van krijgen. Al roept ie 20 keer per dag dat hij geen chapatimonster is, het hele dorp weet dat het tegendeel waar is. Hij verslindt ze, zoals een leeuw (leeuwen? hebben ze die in oeganda? geen idee...) zijn prooi. En hij koopt er altijd eentje extra. Om uit te delen aan zijn vriendjes. Want delen is leuk. Het kostte aardig wat pijn en moeite om hem dat aan zijn verstand te peuteren de afgelopen weken, maar uiteindelijk is het redelijk gelukt. Melk drinkt ie van zijn eigen koe. Die staat helemaal aan het eind van het dorp. En hoewel we elke ochtend te lui zijn om op te staan als de koe gemolken wordt, vindt ie het ontzettend interessant dat zijn melk van zijn eigen koe komt. In de avond koopt ie vaak op eigen houtje popcorn, op de pof. Dan komt ie met een zakje popcorn thuis, dat ie gekocht heeft in een iniminikraampje voor papa's huis. Maar hij had geen geld bij zich, dus of we hem even geld kunnen geven zodat ie kan betalen...En zo is er toch heel wat te genieten over de hele dag heen.

wat bezielt hem?



Mijn zoon bevindt zich op de evenaar. En mijn zoon heeft het koud. Koude handen, koude armen, koude voeten, koude benen. In de zwetende hitte vragen om een lange broek, want 'het is zo koooouuuud'. Tussen twee zwetende ouders in vragen om een dekentje, want 'ik heb het zo kooouuuud'. In een snikhete auto vragen of het raampje dicht mag, want 'anders is het zo frissssssssss'. Sokken aanwillen want 'anders worden mijn voeten kouuuuuudddddd'. En pal in de zon dus een jas aanwillen, omdat ie het anders misschien koud krijgt. Tja.

zaterdag 28 februari 2009

Nano spreekt op de evenaar Deel 2

Op dag 4:
We lopen in het donker naar ons hostel. Na de eerste verre reis wèèt je dat een sterrenhemel in landen als Oeganda door het gebrek aan lichtvervuiling ontzettend indrukwekkend is. En toch blijft het verbazen, miljoenen sterren die je in nederland nooit te zien krijgt. Ik wijs mijn zoon op de enorme sterrenhemel die zich boven ons openbaart. Wat ontzettend veel he!!!!
'Ja! een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf, dertien, veertien, vijftien, zestien, zeventien, achttien, negentien. Het zijn er negentien, mama!'

Zo'n vijf tot tien keer per dag:
'Ik hèèt niet Obama'
(Dat Obama bekend en geliefd zou zijn in Oeganda, was wel te verwachten. Maar dat hij zo populair zou zijn dat mensen ineens Amerikaanse vlaggen in hun kamer hebben hangen, petjes dragen met OBAMA erop, in de hoofdstad op elke straathoek posters te koop zijn, en sleutelhangers, en zijn biografie en en en, dat had ik niet verwacht. Dat mijn zoon als een soort held wordt ontvangen omdat hij blijkbaar wel iets weg heeft van deze Afro-Amerikaan had ik uiteraard evenmin verwacht)

Zo'n tien keer per dag:
'Mijn mama hèèt niet Mzungu'

Op dag 10:
We rijden op weg naar de Murchison falls, op Giraffenzoektocht. In het noorden van het land ziet Oeganda er wat meer uit zoals in de boekjes op de basisschool. En dus roept mijn zoon bij het zien van een dorp met hutjes van modder met rieten dakjes;
'Wonen daar kabouters?'

donderdag 19 februari 2009

Nano spreekt op de Evenaar

Dag 1
Al lopend over een Oegandees marktje, alle groentes prachtig in torentjes uitgestald, zakken met bonen, rijst, erwten, slapende marktverkopers en kleurig gekleedde vrouwen, spreekt Nano:
'Mama, ik wil naar een gewòne winkel, met een kassa.'

Dag 2
Al lopend onder een Oegandese boom, boven ons hoofd zien we heel veel aapjes met mooie witte staarten in de takken slingeren, ruziemaken, takjes naar beneden gooien, van boom wisselen. We proberen Nano te wijzen op het schouwspel dat door de bladeren enigszins wordt afgedekt. Nano kijkt even naar boven, knikt, richt zijn blik weer naar beneden, en zegt vol bewondering, wijzend op een platgestampte 1-liter-fles: "wauw, wat een grote fles!!!"


Dag 3 t/m 6
Na het weigeren van een ietwat karige Oegandese maaltijd:
"Ik eet straks wel iets, als we weer in Hilversum zijn"

Dag 6
'De huizen zijn hier heel anders'
'Hoezo dan?'
'Hier hebben ze geen Poesje Tiba. En geen leuke woonkamer.'

terug van weggeweest: de spagaat-stand

De geschiedenis herhaalt zich. Deze reis is een lustrum; mijn 5de keer Afrika! Mijn vierde keer Oeganda en Nano's derde ervaring als globetrotter. Vol ervaring dus, zou je denken, en dat is vast ook wel zo, maar iets met een ezel en een steen en zo, en dat ik dan die ezel ben. Zo maakten een kronkel in mijn hersenen voor de 5de keer op rij de rare gedachte dat ik best wel met een beetje oude zonnebrandcreme 2 uur lang pal in de zon kon gaan zwemmen. Resultaat: voor de vijfde keer op rij een heel dorp dat komt kijken hoe de Mzungu als een soort slang haar vel verliest. (en hoe haar neus er meer uitziet alsof ze door een enorm grote neger in elkaar gerost is...)
Ook was ik weer totaal vergeten hoe vreselijk uitputtend, energievretend en frustrerend de combinatie is van een kind dat moet wennen aan zo'n totaal ander leven en een heel dorp dat op je lip zit. Ik moet dat vorig jaar ook zo ervaren hebben, maar ik was vergeten hoe benauwend dat voelt. Want dat voelt het; verstikkend, met mijn -o zo lenige- benen in een enorm spagaat. Want Nano heeft het moeilijk, net als in 2006 en in 2007, met al die enorme veranderingen, en uit dat in een enorme uitbarsting van peuterpuberen waar de Nanny's en babyfluisteraars en wat dies meer zij wel pap van lusten. En het dorp kijkt toe, fronst voortdurend kolosaal haar wenkbrauwen als ik begrip toon voor Nano's enorme nukken in plaats van hem met een ferme klap de mond te snoeren. En dat oordeel zou ik natuurlijk links kunnen laten liggen, maar de druk van het dorp is ongekend. Al die pakken slaag die hier voortdurend worden uitgedeeld leiden natuurlijk wel tot enorm gedisciplineerde kinderen, en dan is zelfs in mijn ogen Nano opeens wel een enorm verwend kind dat slecht luistert en altijd maar begrip kan verwachten. Het levert een hele stroom aan moeilijke momenten op.
Gelukkig heb ik uit de voorgaande jaren ook geleerd dat het beter gaat na een tijdje, dat Nano dan wèl rondloopt alsof het zijn tweede thuis is, en dus ga ik door deze toch behoorlijk pittige periode met aardig wat hoop heen. En ondertussen geniet ik tussen alle enorme nukken van Nano, vreselijke dilemma's in mijn hoofd en volgekotste lakens (want ook nu is Nano exact twee dagen nadat hij in het dorp aangekomen is ziek geworden, gelukkig lijkt het een minder hardnekkig iets te zijn dan vorig jaar)van alle kleine momentjes dat Nano langzaamaan wederom went aan het Afrikaanse leven. Hoe snel het begrip 'Power Break' in zijn vocabulair is opgenomen, en hoe hij van zijn nieuwe vriendjes leert dat het terugkomen van de stroom gepaard gaat met een enorm gejuich en dansjes. Hoe hij zojuist met grote ogen bekeek hoe het dorp 's avonds wordt opgelicht door heel veel kaarsjes die kleine kraampjes verlichten waar vanalles en nog wat ondefenieerbaars wordt klaargemaakt. Hoe hij het nog een paar keer per dag heeft over de trein die op weg naar Schiphol even stil kwam te staan (en alles wat daarna nog is gebeurt, moet dus blijkbaar nog een plekje krijgen in zijn hoofd). Hoe hij een paar keer per dag een opleving krijgt en met zijn Oegandese vriendjes speelt met speelgoed dat niet zou misstaan op de Novibkalender. Hoe hij samen met die vriendjes al zoekend probeert het taalprobleem te omzeilen en uiteindelijk uitkomt op een universeel oorlogje-spelen, beng beng. En vooral hoe hij vanaf de eerste seconde dat hij met zijn vader oog in oog stond, hem in alle rust en zonder enige weerstand toestond in zijn leven, op zijn schoot plaats nam alsof hij wekelijks het vlees snijdt in huize Nano.
Dat alles maakt dat deze pittige week best door te komen is, en dat het enkel wachten is op een betere balans tussen de plus- en minpunten.



spelende nano.


dinsdag 10 februari 2009

vocabulair

Mijn kind praat. En zoals dat gaat met kinderen die praten, gebruikt hij steeds meer woorden, bij sommige nieuwe woorden of zinnen die hij gebruikt, heb ik geen idee waar hij ze heeft opgepikt, bij anderen kan ik er niet omheen.

Nano zit in een auto-karretje in de supermarkt (moet ik me overigens schamen dat ik speciaal daarvoor soms boodschappen doe bij Albert?). Hij stapt opeens uit. 'Ho mama, de uitlaat hangt los'. Intussen is hij op de grond gaan liggen om half onder de auto een beetje te sleutelen. Als hij tevreden heeft besloten dat het nu wel goed zit met die uitlaat, neemt hij weer plaats achter het stuur. 'Ow, de auto wil niet starten'. Na een paar keer proberen, kunnen we toch richting de broodafdeling rijden. Daar hoor ik echter een vervelend bericht uit het boodschappenkarretje: 'Mamma, de motor is afgeslagen!' En dus gaan we lopend naast de auto richting kassa.

Leuk autootje hoor, die Mazda 121 van me!

donderdag 22 januari 2009

moeder is jarig.

De dagen voorafgaand aan mijn verjaardag, had ik mijn zoon al meerdere malen ingelicht over het heugelijke nieuws dat ik binnenkort jarig zou zijn. De verwachtingen waren dus hooggespannen dat zoonlief zijn spaarpot zou hebben omgekeerd om bij een winkel een prachtig cadeau voor zijn moeder te kunnen kopen.

De avond voorafgaand aan mijn verjaardag.
'Nog even slapen he, mama en dan ben je jarig. Hier, mag jij al mijn vriendjes vannacht hebben'

En zo werd ik op mijn verjaardag wakker tussen giraf, poppie, zussie, De Grote Beer, Doppie het Aapie, muis, eend, konijn, Meneer Jummie en hond (die ooit van mij was maar die zoonlief zonder pardon aan zijn vriendengroep heeft toegevoegd). Een feest was het eigenlijk niet, want zelfs in mijn tweepersoonsbed namen Nano's vrienden enorm veel ruimte in.

Nano werd wakker en kwam bij me in bed gekropen. Hij was mijn verjaardag niet vergeten, bleek wel toen hij zijn handje openvouwde en er een oud klef Sinterklaassnoepje te voorschijn kwam, dat hij de dag daarvoor in de buurtsuper had gekregen. Hij had het bewaard voor mijn verjaardag!
'Hier mama, hou maar even vast,' zei hij gul, terwijl hij zelf met zijn vingertje het snoepje ook vast bleef houden. Ik dacht dat het een soort cadeautje was, maar zijn handje liet het snoepje niet los. Het was een eer dat ik op mijn verjaardag even zijn snoepje mocht vasthouden, waarna hij er zelf een hap van nam.

Daarna kregen we aan de ontbijttafel een soort van ruzie. Nano vond dat het ook zijn verjaardag was. Ik vond van niet.

We fietsten naar zijn gastouder toe, Nano achterop. 'Hey, nu heb je nog niet voor me gezongen!' roep ik naar achteren, referend aan de vele malen dat ie de dag ervoor had verteld dat hij voor me zou gaan zingen op mijn verjaardag.
'He wat jammer nou,' luidt zijn antwoord. Ik vraag of ie het alsnog wil doen. Hij zegt dat het te laat is.

's Middags haal ik hem op bij de gastouder. Zijn eerste vraag is of ik wel nog taart voor hem bewaard heb. Dan komt hij aan met een kroon die hij samen met de gastouder gemaakt heeft. Ik ben blij verrrast, maar merk op dat hij misschien wel een beetje klein is voor me. Verontwaardig kijkt hij me aan; ' Maar hij is voor míj, mamma'.
Dus fietsen we terug naar huis, Nano een kroon op zijn hoofd, mensen die Hoera naar hem roepen.

Thuis zingt hij alsnog voor me, onder toeziend oog van zijn opa en de buurvrouw, die hem een groot applaus geven.

Mijn verjaardag zal nooit meer hetzelfde zijn.