woensdag 18 oktober 2017

Rust



Met een koffer in zijn hand en gehoorbescherming om zijn nek loopt hij in rechte lijn naar de achterste baan. Het is nog vroeg dus er zijn nog geen pottenkijkers. Toch voelt die laatste baan, het meest uit het zicht, ook in het bijna lege gebouw als enige optie. Hij zet de koffer op het tafeltje, klik-klik. Koptelefoon op zijn hoofd, voeten stevig naast elkaar op de nog lege vloer. Wapen tegen zijn schouder, elleboog een beetje omhoog, zijn ene oog dichtgeknepen. Focussen op het vel karton aan het eind van de baan. Ready. Mis. Wat ben je toch een ontzettende pussy. Weer mis. Kijk nou naar jezelf: je kunt je niet eens verdedigen. Mis. Mis. Mis. Met een gruwelijke  snelheid jaagt hij al zijn kogels erdoor heen. Herladen. Mis. Mis. Mis. De vloer raakt in moordtempo bezaaid met lege hulzen. Zijn hoofd gevuld met lawaai. Je bent één grote teleurstelling.  Met een strak gezicht doet hij zijn wapen weer terug in zijn koffer en in hetzelfde neutrale tempo als dat hij gekomen is, loopt hij terug naar de uitgang. Een vriendelijk knikje naar de man achter de balie. In zijn hoofd stormt het echter, net zoals altijd op dit moment. Door die stem die zelfs 14 jaar na zijn dood nog steeds zijn leven zo beheerst. En door het gelijk dat hij keer op keer weer krijgt. 
 
Raak. Hij heeft geraakt. Zijn fonkelnieuwe Ak-47 brandt in zijn handen. Hij staart verward naar het aan flarden geschoten doel voor hem. In zijn hoofd is plek voor ruis.  Opgetogen van binnen maar van buiten volledig beheerst bergt hij zijn nieuwe wapen weer op in de koffer en verlaat de schietbaan.

Hij ontgrendelt met vier sleutels de voordeur van zijn royale huis. Als hij de gang in komt, draait hij zich meteen naar de ijzeren kast. Hij morrelt aan het slot en geeft een klein trapje tegen de linker deur van de kast tot ie open springt. Hij puzzelt met de koffers om zijn nieuwe aanwinst ertussen te krijgen. Ooghoogte wil hij eigenlijk. Of juist handhoogte. “Hoe ging het?”. Hij heeft zijn vrouw door het geschuif met de koffers niet horen aankomen. Hoe ging het? Dat heeft ze in al die 41 jaar huwelijk al heel lang niet meer gevraagd. Zal ze iets gemerkt hebben aan hem? Hij is toch net als anders heel rustig naar binnen gekomen. Even twijfelt hij, zal hij haar deelgenoot maken van zijn kleine euforie, of is dit moment exclusief voor hemzelf?  “Raak,” antwoordt hij droog, zijn hand nog op een van de koffers. Ze legt haar hand op zijn grijze haren en fluistert met warme stem ‘wat fijn, eindelijk’. Hij raakt in de war. Dit is liefdevol toch, wat zij doet? Maar in zijn hoofd begint het te tollen. Die kleinerende hand van haar op zijn haar, dat woordje eindelijk. De succesvolle zakenman die van zijn vrouw opgelucht een compliment ontvangt na jarenlang falen.  De stem van zijn vader buldert door zijn hoofd. Loser, LOSER! 

Twee koffers draagt hij, zijn AK-47 links, zijn nieuwe AR-15 rechts. Heel even twijfelt hij of hij niet een baan meer in het midden zou kiezen maar hij besluit toch naar zijn vertrouwde plek achterin te lopen. Zijn AK-47 schiet heerlijk, elke keer dat hij het doel raakt, schiet hij de onrust in zijn hoofd aan flarden. De AR-15 bewaart hij voor het laatst. Hij voelt een kinderlijke blijdschap als hij de AK-17 in zijn koffer terug heeft gestopt en de andere koffer voor het eerst opent. Klik-klik. Hij vult het magazijn. Voeten stevig naast elkaar op de reeds met hulzen bedekte vloer, de schouderhaak tegen zijn schouder aan. Het zit als gegoten. De groeven in de kolf vallen minitieus samen met de kromming van zijn vingers. Het relief schuurt prettig tegen de palm van zijn hand.  Hij recht zijn rug. Elke kogel die hij afvuurt, voelt nog beter dan de kogel ervoor. In zijn oren stilte.

CNN. Er is geschoten in de homo-bar Pulse. Beelden van huilende jongen mensen, onder in beeld wordt in de rode tekstbalk het aantal doden steeds naar boven bijgesteld. Zijn vrouw heeft haar handen voor haar gezicht geslagen, haar vingertoppen bedekken haar betraande ogen. Hij zit ernaast, open vizier, en wordt overvallen door rust. In zijn hoofd, in zijn lijf. De ooggetuigen op tv, zijn snikkende vrouw naast hem en zijn lijf dat zich steeds meer vervult met leegte en kalmte. 

Zacht neuriend stapt hij met de twee laatste rolkoffers de lobbey van het hotel binnen.  Aan de bar neemt hij een whiskey, zijn koffers aan weerszijde van de luxe barkruk. De lobbey heeft uitzicht op het plein. Het begint vol te lopen met mensen. Even bekijkt hij ze, van top tot teen, in volle rust. Hij is verbaasd hoe ontspannen hij is. In zijn hele lichaam is geen greintje stress of spanning te ontdekken. Toch besluit hij zich precies aan zijn plan te houden en graait met zijn hand in zijn binnenzak tot hij het doosje valium gevonden heeft. Met de laatste slok wiskhey slikt hij de pil door.  Vastberaden staat hij op, pakt de handvaten van de twee  koffers vast, knikt vriendelijk naar de barman en loopt met opgeheven hoofd de lobbey uit.

Klik-Klik, de laatste koffers gaan open. Hij schuift de luxe zetel voor het raam, tussen de standaards die hij de afgelopen dagen volgens zijn tekening heeft neergezet. Hij kijkt op zijn horloge. Het is tijd. Met de loop van een van de FN-15’s slaat hij met een ferme slag het raam aan diggelen. De muziek van het festival komt zijn kamer in. Hij pakt zijn eerste wapen, zijn hoofd wordt gevuld met oorverdovende stilte. Rust.



 Schrijfcursus week 3. Opdracht: schrijf aan de hand van een personage een verhaal waarin alle essentiele verhaal-elementen zitten (uitgangspunt: beginsituatie - verandering - nieuwe situatie - verandering enz)















zondag 15 oktober 2017

School



Oh godver, ik kan dit niet.  
Ik voel het handje van Boris nog steeds in de mijne. Zal hij voelen dat mijn hand klammer is geworden? Of zal hij alleen maar letten  op de kinderen die op het schoolplein voor ons aan het spelen zijn? Het geluid overvalt me. Een stroom aan kindergeschreeuw, het onritmische doffe gebonk van een bal, geklets en gelach.  Het komt van het schoolplein af onze kant op rollen. Als een stofwolk van een gebouw dat net is ingestort. Het beneemt me de adem. Het schoolplein over. Een palet aan kleuren, stuiterend over de tegels heen. Ik weet niet waar ik mijn ogen op moet focussen. Ik kijk strak naar de schooldeur. Een deur, het is maar een deur. De kinderen die aan beide kanten er langs springen en joelen, kan ik enigszins uit mijn gezichtsveld filteren als ik me op de deur blijf focussen.
Hoe kon hij me dit ook vragen? Aan de grond genageld was ik, toen hij er mee kwam. “He Sis, kun jij donderdag Boris even naar school brengen? Ik moet al vroeg op tournee, en Inge komt pas ’s middags terug van Texel”. Ongelooflijke hork, dacht ik eerst. Maar daarna hoopte ik zo ontzettend dat mijn alwetende, grote, wereldwijze broer misschien iets wist wat ik niet wist. Ik wílde het zo ontzettend graag geloven, dat hij wíst dat dit precies het goede moment was voor mij om de confrontatie aan te gaan. Maar nu sta ik hier, heel hard te focussen op een deur om al die kinderen om me heen maar niet te hoeven bekijken, mijn oren in mijn jas verstoppend om het gegil maar niet te horen. En ik weet opeens zeker dat hij echt niks weet. Een egoistische klootzak, dat is hij. Het is misschien niet eens in hem óp gekomen dat ik dit nog niet kan. Dat ik amper alle seizoenen zonder haar heb moeten doorworstelen en dat dit voor mij in ieder geval zeker nog niet het moment is om mezelf bloot te stellen aan deze bom aan kindergeluk. 
We zijn bij de deur, Boris laat mijn hand los. Hij rent door de smalle gang richting zijn klas. Ik kan de kinderen niet meer ontwijken, ze krioelen door de gang. Het is zo vol, met geluid, met kinderlijven, met ouders. Ik kan zo snel geen neutraal punt meer vinden om op te focussen. De muren vol met vrolijke kindertekeningen en lijstjes welke ouder wanneer rijdt voor de sportdag, komen op me af. Boven die enorme kakefonie aan kindergeluiden hoor ik een moeder boos roepen tegen haar kind dat hij nu echt niet zo moet zeuren en gewoon de klas in moet.  Mijn knieen knikken. Ik beweeg mezelf vooruit, richting Boris, mee met de stroom. Het gangpad wordt smaller, de meute met kinderen en ouders onvermijdelijker. Ik zie tussen de massa kinderen door Boris bij een kapstok zijn jas in een luizenzak proppen. Ik parkeer mezelf met mijn rug tegen de muur. Zie nu dat er in dat smalle gangpad ook nog een trap is waar kinderen vanaf komen. Ze komen van overal. Terwijl ik daar met mijn rug tegen de muur sta, komen ze van alle kanten langs me geparadeerd. De optocht van de gezonde kinderen, de lange rij met groene luizenzakken langs de muren als slingers om deze parade feestelijk op te leuken. Mijn hoofd bonkt. Hoe kan ik hier niet denken aan haar, aan hoe zij hier nu eigenlijk tussen had moeten lopen? Onwennig nog waarschijnlijk, maar vast apetrots. Denken aan haar is geen straf, het is een continue staat van zijn. Maar hier bedwelmt het me, het verlamt me zoals het me de eerste weken verlamde.    
Er wordt getrokken aan mijn jas. Het is Boris. “Kom je kijken waar ik in de klas zit?” Ik snak naar adem, kan hem niet antwoorden, maar de klas oogt in deze draaikolk van bewegende kinderjassen en haastige ouders als een oase van rust. Ik pak zijn hand beet en laat me leiden. De klas in. Adem. De geur van linolieum en  nog natte schoolverf. Ik kan me focussen op Boris. Hij laat trots zijn tafeltje zien, hij rommelt wat in zijn laatje en haalt er een bevlekt schriftje uit. “Wat knap”weet ik best enthousiast uit te brengen als ik zijn rijtjes met sommen zie. Ik kijk door het raampje van de klas. De stroom aan ouders en kinderen is nog niet verminderd. Het gaat maar door. Het liefst zou ik hier in de klas me in een hoekje willen verstoppen. Om maar niet door die vreselijke gang te hoeven. 
Ik neem een teug adem en probeer in mijn hoofd te beschrijven wat ik voel. Het is verdriet, natuurlijk is het verdriet. En gemis. Woede. Ik ben zo boos op hem. Op zijn onbegrip. Op dat ik hier naar adem zit te happen in een klas vol jong leven. Eenzaam, dat voel ik me misschien wel het allermeest. Omdat hij, omdat iedereen, omdat niemand. Het geluid van de bel raspt door het klaslokaal. Het is klaar.    

Schrijfcursus week 2 - Opdracht: beschrijf een ruimte waar je regelmatig komt door de ogen van een personage dat hier nog nooit geweest is

woensdag 11 oktober 2017

Zoë M



Op haar nieuwe lessenaartje prijkt een stickertje in de hoek. Zoë M. staat er op. Zover is het dus gekomen, zover heb ík het laten komen. Mijn dochter is zes en door mijn toedoen gaat ze nu al het leven door als Zoë M. Als een halve crimineel, of een hele. Zoë M verdacht van miljoenenfraude. Of Zoë M opgepakt voor reeks aan gruwelijke roofmoorden             
 En waarom? Waarom hangt dat nu al als een donderwolk boven haar hoofd, staat dat verhaal nu al op het lessenaartje van dit onschuldige meisje? Alleen maar omdat haar moeder het verzaakte een naam te bedenken die niet door jan en alleman ook al bedacht was. Was dat nou zoveel moeite? Duizenden namen zijn er, miljoenen als je een beetje creatief bent. Daar precies een naam uit kiezen die de hele straat ook al bedacht heeft, das bijna knap. Maar Zoë M. zit er maar mooi mee. Zes jaar, en al min of meer een strafblad aan haar kont hangend. Ik kijk met angst en beven naar het moment dat de volgende klassenfoto uit komt: het zal me niet verbazen als school dan preventief een zwart balkje over haar ogen heeft geplaatst.   
En dan heeft ze door haar Oegandese achtergrond nota bene zes stamnamen achter haar roepnaam staan. Zes namen die alle zes uniek zijn. Geen Bibiyana te bekennen op de Gooische basisschool hoor, Namiburu galmt ook zelden door speeltuinen als mede-moeders hun dochters roepen omdat het eind van het uitje in zicht is. Maar uitgerekend haar roepnaam, statistisch gezien kans 1 op 7 dus dat dát de roepnaam zou worden, siert de afgelopen jaren zo’n beetje op elk geboortekaartje
         Nu kun je je afvragen of het nou echt zoveel uitmaakt. Maar als ík later per ongeluk op het verkeerde pad terecht kom, dan zou ik me echt te pletter schrikken als ik in de krant zou staan als Eveline M. Dat zou echt wel een momentje van bezinning worden. “Jemig, waar is het mis gegaan in mijn leven dat hier nu gewoon zwart op wit in een smeuige kop Eveline M. gedrukt staat?” En dan zou ik gaan nadenken of dit nou wel het leven is dat ik wil leiden. En of ik me niet veel gelukkiger zou voelen als ik krantenkoppen zou halen met Eveline Mevis. En ja, natuurlijk zou ik precies daardoor beseffen dat dit niet de weg is die ik wil gaan en dat ik dus alles op alles moet zetten om weer op het rechte pad te komen. Maar mijn dochter is dat moment van bezinning nu al ontnomen. Die zal niet anders weten dan dat ze Zoë M. genoemd wordt. Als ze ooit de nobelprijs voor de vrede wint, zal ze zichzelf niet eens herkennen als er in het journaal niet gesproken wordt over Zoë M maar over Zoë Mevis.                                         
Zoë M. Ik voel medelijden met haar, arme meid, crimineel in de dop. En terwijl ik haar naam een paar keer zachtjes prevel, Zoë M, Zoë M, verspreek ik me opeens, en mompel iets wat op Boney M lijkt. Boney M! Boney M!! De zon begint te schijnen, het hoeft niet voorbij te zijn met haar leven. Ze kan ook gewoon een popster worden! Mocht ik ooit nog een kind krijgen, dan noem ik hem Boney, omdat hij ons van het criminele pad heeft geholpen, mijn dochters leven heeft gered! En omdat er op zijn lessenaartje later vast een sticker wordt geplakt met alleen maar Boney.

Schrijfcursus week 1 - Opdracht: hou in een boekje dagelijks bij welke dingen om je heen je opvallen. Schrijf aan de hand van dit lijstje elke dag precies 7 minuten over deze onderwerpen.