maandag 21 januari 2008

BOM BAM ik wil een zusje MAM

Nano wil een zusje.

Dat weet hij zelf nog niet, maar het is wel zo.

En dus zit Nano's mama met de handen in haar haar. Dat ik op mijn 25ste mijn hoofd zou openbreken over het vraagstuk: hoe maak ik een zusje voor mijn zoon dat had ik natuurlijk nooit verwacht. Maar ik pieker me wat af. Mijn hoofd voelt een beetje als een escher-driehoek:
al mijn gedachtes, mogelijkheden en afwegingen, lijken uiteindelijk toch niet aan elkaar te lijmen te zijn, terwijl ze toch een soort van geheel vormen.

Het grote ding is natuurlijk dat stomme regeltje van het takes two, terwijl ik behoorlijk one ben. En dat helemaal niet erg vind, behalve nu dan. En dus zit ik opeens met mijn neus in de artikelen over BOM's en BAM's en ik krijg een bijzonder onpasselijk gevoel als ik er aan denk dat dan zomaar het moment zou kunnen komen dat ik al mijn mannelijke vrienden alleen maar zie als sperma-producenten, dat ik bij ze ga smeken of ik een potje mag hebben van dat wondermiddel.
En dat de bel gaat, en dat dat de meneer van Select Mail is, met een potje sperma in zijn handen. (goed dat ik er over nadenk: het scheelt een hoop stappen als hij gewoon zijn eigen potje sperma bij me afgeeft...)
En ik word letterlijk misselijk als ik denk aan zelf in te brengen spuitjes vol met potentiele zaadjes die na het inbrengen gaan vechten om samen met mijn eitje Zusje te maken. En dat ik dan de komende 20 jaar maar moet zien of die chauffeur van Select net zo'n gevoel voor humor heeft als ik, of dat ik opeens zit opgescheept met een sjaggerijnig Zusje, dat niet snapt dat Gummbah ontzettend grappig is, en Ab Normaal helemaal níét om te lachen is.

En trouwens, ik weet niks van cycli, eisprongen, vruchtbare dagen en dat soort zaken, en ik vertik het te gaan zitten uitrekenen wanneer de tijd rijp is om actie te ondernemen.


En had ik niet ooit besloten dat een kindje goed te doen was alleen, maar dat het met twee allemaal wel heel erg ingewikkeld zou worden?


En was er niet iets met liefde in combinatie met kinderen krijgen?

Dus, uh, allemaal heel leuk dat gebam en gebom (en ze zullen vast niet allemaal meer tuinbroeken dragen en mannen verafschuwen) maar ik geloof dat ik er toch maar niet in mee ga.


Blijft over: toch maar een échte man zoeken, die dan ook bij me intrekt en de vader uithangt voor Zusje, en Zusjes overgeef opruimt, haar kast in elkaar timmert, Nano en Zusje helpt ontbijtje op bed te maken op moederdag. Klinkt goed. Maar ja, zie mijn explosie van 20 oktober afgelopen jaar; ik word er verder niet echt warm van, van de rest van dat idee. En ik ken ook geen enkele (uh jawel, wel een enkele, maar die houdt dan weer van Ab Normaal, leeft 6000 km verderop, of anderzins) man die wél warm wordt van dat idee.



Dus blijft over: een moeder en een zoontje, een onoplosbaar vraagstuk en een handje vol levenswijsheden (tijd heelt alle wonden, komt tijd, komt raad enz enz) die hopelijk toepasselijk zijn.

dinsdag 1 januari 2008

nachigulli

De laatste dagen van mijn tijd in Oeganda had ik nog één blogje in mijn hoofd, over de bijzondere band tussen Nano en Nachigulli, een negenjarig meisje. Terwijl ik in mijn hoofd een begin maakte aan het stukje, wist ik nog niet dat Nachigulli een dag voor mijn vertrek door een auto zou worden aangereden.
Nachigulli dus. Negen jaar geleden geboren in een dorp in Afrika. Haar moeder werd niet lang daarna vermoord door de echtgenote van haar vader. Daar zat ze dan, mamma dood en pappa duidelijk wel wat anders te doen dan een meisje opvoeden. Ze belandde dus bij oma (zie daarvoor mijn les over Moedergevoelens uit het jaar 2005), die haar zonder twijfel opnam, net als de dochter van de vrouw die Nachigulli's moeder om het leven bracht.
Ik leerde Nachigulli kennen in 2005 toen ik voor het eerst naar Oeganda ging. Ze kwam naast me zitten en begon heel venijnig in mijn arm te knijpen. Ze lachte gemeen naar me als ze zag dat ik pijn had van haar geknijp. Vervelend meisje, dacht ik. Ze bleef komen en op een gegeven moment werd het knijpen minder en toen bleek ze gewoon een heel lief meisje te zijn. Ik leerde haar allerlei Nederlandse kinderliedjes die ze nog steeds uit haar hoofd kent (en daardoor is mijn zoon wslk het enige kind ter wereld die 'deze vuist op deze vuist' van een Oegandees kindje heeft geleerd).
Ik begon haar steeds meer te waarderen en had er moeite mee dat ze door anderen vooral werd gezien als een meisje dat alles fout deed. Voortdurend klonk op boze toon haar naam door het dorp, om haar terecht te wijzen op iets wat ze nu weer fout had gedaan (of niet).




Dit jaar kwam ik met mijn zoon naar Oeganda, en Nachigulli en Nano, het was vanaf moment één een perfecte combinatie. Zo jong als ze zijn, zo anders qua achtergrond, leeftijd en taal; die twee hadden een klik waar al snel het hele dorp weet van had en waar de andere kinderen jaloers op waren. Het liefst speelde Nachigulli net iets te wilde spelletjes met Nano, hetgeen Nano bijzonder goed wist te waarderen. Schaterlachend liet ie zich om haar lichaam heen gooien terwijl zijn moeder er alles aan deed niet heel bezorgd haar kind uit de handen van Nachigulli te trekken. Of ze liep de hele dag met Nano op haar heup of rug door het dorp. Ze gaven elkaar dikke knuffels en kusjes.

Ze zongen samen liedjes en Nachigulli kwam elke dag voordat ze naar de put vertrok om water te halen even dag zeggen tegen haar vriendje. Dat afscheid viel steeds zwaarder, en toen Nano het op een hartverscheurend krijsen zetten zodra zij zwaaiend uit het zicht verdween, besloot Nachigulli Nano elke dag op haar rug mee te nemen naar de whale. Vrolijk zwaaiend 'bye mama' verdween Nano dan uit mijn gezichtsveld; het afscheid met zijn moeder ging hem duidelijk minder moeilijk af. De heenweg naar de put toe was een groot feest. 2 Kilometer de helling afrennen terwijl de jerrycannen achter hun aanbungelden. Op de terugweg moesten die twee kilometer omhoog geklommen worden, ditmaal met volle jerrycans. Bikkel Nachigulli, nog steeds maar 9 jaar oud, tilde elke dag eerst de jerrycans een stuk de helling op om vervolgens terug te rennen om Nano op haar rug te tillen om het stukje helling opnieuw te beklimmen. In dubbele etappes legde ze de route al tillend af. En ze deed het met liefde.

Ik wandelde met een vriend een heel stuk de bush in, om te kijken waar hij een huis had gebouwd, toen zijn telefoon ging. Hij sprak in Luganda, hing op en zei tegen mij: there is terrible news. Nachigulli is hit by a car.
Ik omarm oma, die als een hoopje ongeluk in de hoek van de kamer zit. Ik krijg mijn tranen niet onder controle. 'Nachigulli is probably dead' waren Bakers woorden geweest toen we hem in het dorp tegenkwamen. Ik kon moeilijk inschatten hoe ik die woorden moest interpreteren. Was het in het rijtje van al die verkeersdoden, van al die mensen die overleden waren in de tijden dat ik in Oeganda was, van de vriend van Baker die de dag daarvoor zomaar overleed? Of paste het meer in het rijtje van al die mensen die ik dit jaar weer begroet had, ook al had ik van Baker aan de telefoon over velen van hen gehoord dat ze 'almost dead' waren?
Ik baalde dat ik nooit had geleerd te bidden en dat ik nergens in geloofde waarnaar toe ik zou kúnnen bidden dat Nachigulli bij die laatste groep zou horen.
Terwijl ik buiten bij oma mijn zoon bezighield, kwam het nieuws. Nachigulli is back. She is allright.
Ze lag op de bank. Met grote verbaasde en angstige ogen keek ze de kamer rond. Geen blik van herkenning, wel van grote angst. She is allright. En ze hadden haar een wit zakje met 6 pillen meegegeven, 3 times a day, had de nurse er op gezet. Geen diagnose, geen bijlsuiter, niks. She is allright. Ze kan niet meer normaal nadenken, ze herkent niks of niemand, maar ze is allright hoor. Terwijl mijn zoon naar haar toekroop, werd ik overvallen door een ontzettend woest gevoel over de gezondheidszorg. Tuurlijk, het was een groot feest te zien dat ze leefde, maar mijn hoofd kon er niet bij dat doktoren zo'n ongeval met een zakje ondefinieerbare pillen afdeden. Niet eens een advies dat ze moest blijven liggen of iets dergelijks. Ik maak me boos dat niemand haar vertroetelt. Wat is dat toch voor iets geks met dit land, dat zelfs als een kind een zwaar auto-ongeluk heeft gehad, niemand haar een knuffel geeft?


De glimlach die altijd op haar gezicht verschijnt bij het zien van Nano, blijft achterwege. Wel slaat ze haar arm om hem heen en sluit hem zo in haar armen, in haar wereldje.
Ik eis dat ze terug gaat naar een goed ziekenhuis. Dat doen ze.
Ze komen terug met een veel grotere berg medicijnen. En een iets beter gestelde Nachigulli. Ze lacht als ze Nano ziet en Nano blijft tot we weer vertrekken naar Nederland in haar armen liggen als mascotte die haar weer helemaal beter zal maken.


Lieve lieve Nachigulli, ik hoop zo dat die gekke pillen haar echt zullen helpen, dat haar hersenen niet op een of andere manier toch allerlei langetermijnschade hebben opgelopen, en dat ze volgend jaar weer even vrolijk als voorheen met mijn zoon door het dorp zal springen.