maandag 16 februari 2015

Als de dood ineens een dingetje is

De dood kwam in 2014 als nieuwkomer, met stip,  binnen op nummer 1, in mijn lijst thema's van het jaar .
Het grootste deel van het jaar was dat een vrijwillige keuze; in 2014 zat ik vol in mijn opleiding tot uitvaartleider. Ik was een deel van het jaar bezig met de theorie, liep in de zomer meerdere stages en zo was de dood meer dan ooit tevoren aanwezig in mijn leven. Toen op de valreep aan het eind van het jaar de man met de zeis zowel mijn oma als mijn broer besloot mee te nemen, nestelde de dood zich zelfverzekerd op mijn nummer 1 in de lijst der hoofdthema's van 2014.
Hoewel mijn kinderen zich gelukkig nog steeds vooral bezig houden met het in elkaar knutselen van knikkerbanen en dromen over een prinsessenleven, was de dood ook in hun leven opeens aanwezig. En dat ervoeren ze, uiteraard, anders dan ik.

Nano nam, net als zijn vader, met een behoorlijke afkeur waar hoe ik vrijwillig ervoor koos mij met de dood bezig te gaan houden. Daar kon hij zich toch helemaal niks bij voorstellen, dat iemand, zijn moeder nota bene, zo'n naar vak zelf koos. In de loop van mijn studie werd er thuis meer gesproken over het onderwerp, en gingen de scherpe randjes van zijn reactie af, maar hij blijft erbij dat het niet normaal is dat ik die veel boeiendere tvwereld inruil voor een leven tussen de kisten, graven en huilende mensen.
Zoë had geen mening over mijn opleiding. Zoë en geen mening; een unicum. Maar bij het overlijden van mijn oma bleek ze het vooral bijzonder fascinerend te vinden; ze zat een hele tijd op een krukje naast omama's bed, te observeren hoe roerloos haar overgrootmoeder daar lag. Toen ik die avond voor het slapen gaan haar vroeg hoe ze het nou had gevonden die dag bij omama, antwoordde ze wild enthousiast: "super gezellig'.

Ook bij het overlijden van haar oom, drie weken later, was ze bijzonder vaak naast zijn bed te vinden. Ze leek zich uitzonderlijk op haar gemak te voelen, in haar prinsessenjurkje op een krukje naast haar overleden oom. Voor de kinderen was een dood iemand in huis helemaal niet eng, bleek ook wel toen ik Zoë, rijdend op een stokpaard, tegen haar nichtje vrolijk hoorde zeggen: stap maar achterop, dan gaan we samen in pietengalop (het was ten slotte net 5 december geweest) naar oom Floris toe. En daar gingen ze, inderdaad in pietengalop naar hun dode oom, om daar rond zijn bed wat te spelen. Soms vroeg ze zich zomaar wat af. Of hij nog plast nu hij dood is bijvoorbeeld. Maar over de grote vragen des doods maakte ze zich niet druk; haar oom was dood en dat was vooral best interessant.

Een week na zijn dood zat ik op de bank wat te sippen. Nano vroeg verbaasd waarom ik zo verdrietig was. Ik antwoordde, even verbaasd, dat het om oom Floris was. He, antwoordde hij met kinderlijke logica, maar dat is toch al een week geleden?? (Hoewel, kinderlijke logica; ik heb de afgelopen maanden ervaren dat het ook voor heel veel volwassenen niet voor te stellen blijkt hoe intensief zo'n rouwperiode is. Dat het niet na de uitvaart een soort van afgerond is, dat ook twee maanden later het nog mijn hele doen en laten beheerst, dat ik nog elke ochtend bijna als allereerste aan de dood van mijn broer denk, na een nacht die regelmatig ontregeld wordt door duizend-en-een aan mijn broers dood gerelateerde gedachten. Dat alle handelingen die ik uitvoer met een rouwrandje zijn, dat het al mijn energie opslokt. Dat ik nog steeds overvallen kan worden door de gedachte dat de dood voor altijd is, en dat ik die gedachte nog steeds heel aardig weet op te frommelen om ooit weer uit te vouwen als het daar de tijd voor is. En dat het besef dat die tijd dus nog moet komen, doet realiseren dat dit nog heel wat tijd ding nummer één in mijn hoofd zou kunnen blijven.)

Toen ik net mijn eerste autootje kocht, was aan het spel van Nano te zien dat het niet zo'n heel goede auto was; hij zag ineens in elk touw, in elke sjaal een startkabel en speelde daar vrolijk de scenes mee na die voor ons huis regelmatig te zien waren. Net zo is aan Zoës spel nu te zien dat de dood haar levenspad dit jaar gekruist heeft. Zo hoor ik haar, totaal zonder drama of emotie, regelmatig haar poppen in een kistje leggen in plaats van in een bedje. Ze zijn dan ook regelmatig dood, dus ja, dan kun je ze maar beter in een kistje leggen (hoewel ze toch ook moet hebben gezien dat zo'n bedopbaring echt veel prettiger is dan een kistopbaring, maar goed, ik laat haar maar...). Ze is zelf ook regelmatig dood in haar spel, Nano ook trouwens.

Afgelopen week had Zoë zin in memory, een van de vele leuke cadeaus die ze van haar oom had gekregen de afgelopen jaren (want cadeaus kopen voor zijn neefje en nichtjes was een van zijn hobbies, bleek ook bij het opruimen van zijn huis waar nog cadeaus voor de komende verjaardagen klaar bleken te liggen). Ze probeerde haar broer te porren om een potje mee te spelen, maar die had, nu hij zelf Kolonisten en alle andere toffe 999-games spellen ontdekt had, weinig zin in een saai potje kaartjes omdraaien. Zoë nam even pauze en stelde daarna, alsof ze een totaal nieuw onderwerp aansneed, haar broer een vraag:
'Vind jij het eigenlijk grappig dat oom Floris dood is?'. Nano keek verbaasd op. 'Nee natuurlijk niet', antwoordde hij, ondertussen zijn wenkbrauwen ophalend naar mij kijkend. Zoë sloeg haar slag, met een fonkeling in haar ogen. 'Nou dan moet je ook zijn spel spelen. Anders vind je het wel leuk dat hij dood is.'
En zo is de een z'n dood, de ander z'n, uh memoriespel.