Non Fictie/Fictie

zaterdag 17 augustus 2019

Nijlpaard

Ik ben geen supermoeder. Nooit geweest ook. Al kon ik vroeger toen ik nog een meisje was -en toevallig ook al moeder, want zo loopt het leven soms- als ik in de spiegel door mijn wimpers keek met enige fantasie de contouren van een supermoeder ontwaren. Maar dromen wordt lastiger naarmate je ouder wordt en als ik nu in helikopterview naar mezelf kijk, zie ik niks wat ook maar in de buurt komt van een supermoeder. Geeft niet. Maar soms zie ik dan iets wat zo'n beetje lijnrecht tegenover die supermoeder staat, een soort uh moedergedrocht.

In de absurde hittegolf van 2019 vertrok ik met mijn kinderen naar Oeganda. Ik was de pre-vakantiestress van de afgelopen jaren een beetje beu en zette dus in op een stressloos vertrek. Door een heel aardige en grondige voorbereiding ging me dat nog wonderbaarlijk goed af. De avond voor we vertrokken was mijn to do lijstje zo geslonken dat ik de auto vol kinderen laadde en we de hittegolf in de schuimende golven van de Noordzee van ons afspoelde. Ook de dag van vertrek was er van stress geen sprake. We zouden per trein naar Brussel vertrekken, daar rond etenstijd aankomen, een nacht in een hotel slapen om de volgende ochtend vanaf Brussel naar Entebbe te vliegen. Ruim een uur voor onze trein vertrok waren we klaar, waardoor we nog met gemak de de vriezer gevuld met ijsjes konden leegeten. Het was 39 graden toen we ons behingen met de bagage. Ik had zo gepakt dat het stukje huis-station voor iedereen net te doen moest zijn, zelfs met deze tropische temperaturen. We kwamen bezweet maar zen aan bij het station en incasseerden zonder enige moeite het bericht dat onze trein niet reed. We hadden ruim de tijd om in Brussel aan te komen dus zelfs toen we na wat vertraging op Schiphol te horen kregen dat er nogal wat problemen waren met de internationale treinen, hielden we, als enigen op het hele perron leek het, ons hoofd gewoon koel. Dan kwamen we wat later aan bij het hotel. Geen probleem. En het perron onder de luchthaven was aangenaam koel.

Toen na lange tijd een trein richting het zuiden het perron op kwam denderen, maakte ik me met al die wachtende passagiers om me heen alleen een beetje zorgen dat we dadelijk van Schiphol tot Brussel met al onze bagage moesten staan. Maar wonder boven wonder kwamen we als eersten de coupe binnen, waar vier Engelsen met rood aangelopen hoofd lagen te puffen op de eerste twee vierzitters. Ze schikten in toen ze ons zagen en zo zaten we prima met z'n drieën , onze drie koffers en onze drie backpacks op elkaar gestapeld. De rode huid en het gepuf van de Engelsen bleek makkelijk te verklaren; van airco was in deze trein geen sprake en al snel mengde onze zweetlucht die met die van de puffende buren. Met 40 graden kan airco amper een luxe genoemd worden in een trein. Met name als de trein stil stond sloeg de warmte met een harde klap in je gezicht. En dat stilstaan gebeurde steeds vaker en steeds langer. De mededeling dat er een kapotte sein was werd opgevolgd door de mededeling dat alle seinen kapot waren en er bij elk sein toestemming gevraagd moest worden. De Belgische Spoorwegen waren niet zuinig geweest met het plaatsen van seinen langs de sporen, bleek al snel. Het iets later aankomen bij het hotel werd langzaam aangepast in een stuk later aankomen. Maar al wapperend met onze treintickets, kon het ons nog steeds niet van ons stuk brengen.

Het ging pas een beetje mis toen we te horen kregen dat ons stuk het enige deel van de trein was zonder airco en we bij Antwerpen besloten met alle bagage naar een koeler plekje te verkassen. We hadden niet kunnen voorzien dat er een groep van ruim veertig Spanjaarden in Antwerpen vanaf de andere kant de coupe bestormden waardoor we halverwege strandde, onze bagage stond her en der over de coupe verspreid en vastgeplakt tussen de veertig Spanjaarden was er van de werkende airco niks te merken. Even doorbijten, we hadden gelukkig het grootste deel van de treinreis ruim in de vierzitter doorgebracht. Toen klonk de stem van de conducteur weer, droogjes. In tegenstelling tot wat aangegeven stond zou deze trein níét stoppen op Brussel Airport. Er werd kort getipt in Brussel Du nord uit te stappen en een bus te nemen. We hadden inmiddels al twee uur langer in deze bloedhete trein gezeten door alle seinstoringen waardoor ik het vrij onmogelijk achtte nog helemaal zen op deze boodschap te reageren.

Brussel Noord bleek geen roltrappen te hebben, waardoor ik op zoek naar adviserend personeel met de grootste backpack op mijn bezwete rug de grote koffer de trap af moest tillen. Nog voor ik de laatste trede bereikte, brak de hendel van mijn koffer af. Ik voelde met de vallende koffer ook de laatste stressloosheid van me afvallen. Brussel Noord bleek niet alleen geen roltrappen te bezitten , maar ook geen enkel personeel om de gestrande reizigers de weg te wijzen. We sleepten ons dus maar zoekend richting busstation, mijn kinderen opvallend minder zuchtend en steunend dan ik, allicht omdat zij niet trap op trap af moesten met een zware koffer zonder hengsel. Misschien was het de hitte die op mijn hersenen was geslagen waardoor ik niet in staat was de bus naar de luchthaven te vinden. Na een tijdje koortsachtig als een kip zonder kop tussen de verschillende bushaltes te hebben gelopen, geleidde ik mijn kinderen dus weer puffend de stationshal in. Op een bord zagen we zowaar een trein naar de luchthaven staan maar toen ik mijn koffer nog een keer de trap op had getrokken, lazen we op het perron dat de trein er toch niet zou stoppen.

Ik wist niet meer of het nou zweet of tranen was wat over mijn gezicht liep. Het was in ieder geval zout, en Nano moet het gezien hebben en geconcludeerd hebben dat zijn moeder niet degene was die ons drietal naar de plaats van bestemming ging krijgen, een vernederende gedachte. Hij stelde voor naar Brussel centraal te rijden om te kijken of we daar wel vervoer naar de luchthaven konden vinden. Ik hield van hoe hij in staat was in oplossingen te denken en volgde zijn idee op. Brussel bleek echter net zo'n tranendal als Brussel Noord als je er met een kapotte koffer, zware backpack, bepakte kinderen en bezweet lijf op zoek moest naar een bus. Toen we ons hijgend -of ik was allicht de enige die hijgde, maar mijn hijgen telde makkelijk voor drie- de trein terug naar Nord hadden in gehesen, deed ik op mijn telefoon een poging te zoeken waar die pokke bus dan wel zou moeten vertrekken. Het schemerde inmiddels buiten, wanneer was dat in hemelsnaam gebeurd? Ik vond de bushalte op de kaart, we waren er eerder vlak langs gelopen. Ik vond ook de bustijden. Koortsachtig keek ik op mijn horloge. We waren opeens al bij de laatste bus beland, vijf minuten nadat we weer op Du Nord zouden aankomen zou hij het verborgen busstation verlaten. Het zweet brak me nog meer uit bij het idee dat we dadelijk met z'n drieën en onze bagage met onze laatste energie over die trappen van het station moesten sjezen om die laatste bus te pakken te krijgen.

Ik probeerde me bij elkaar te rapen en mijn kinderen voor te bereiden op de sprint die we zo zouden moeten trekken. Natuurlijk voelde ik ook wel dat ík het was die het allermeest moest worden klaargestoomd voor de sprint. Rennend door de lege hal van Nord was het Nano die weer op een bord zag staan dat er toch nog een trein naar Brussel Airport vertrok. Ik riep tussen het zware ademen door dat ik me niet kon voorstellen dat hij echt daar stopte, maar volgens Nano stond het er heel duidelijk. Hij vertrok alleen wel over twee minuten. Mijn lijf voelde gevangen in dat van een nijlpaard  terwijl ik de trap naar het perron probeerde te bereiken. Mijn kinderen waren al naar boven gefladderd en riepen me bemoedigend toe, terwijl ik zwaar hijgend het kletsnatte haar van mijn voorhoofd veegde. In niks leek ik op een moeder die koel bleef om haar kinderen veilig op de plaats van bestemming te krijgen.  Het nijlpaard was door haar korte pootjes gekrakt. Ik hoorde de stemmen van mijn kinderen die mijn naam riepen, mijn piepende adem, een wieltje dat van mijn koffer brak terwijl ik het schokkend over de traptreden achter me aan trok. Toen mijn hoofd eindelijk op het niveau van het perron kwam, zag ik Zoë richting treindeur lopen. Het snerpende fluitje van de conducteur. Een paar meter nog. Ik moest. Ik zou. Maar ik was op. Ik rende strompelend naar de deur. Zoë stond in de deuropening van de trein, ik met het afgebrokkelde blok aan mijn been voor de deur. Nano stond achter mij op het perron.De fluit van de conducteur klonk harder, langer, bozer.  In Zoës ogen zag ik ineens de blik van een klein meisje, een meisje dat zich zeker niet zomaar zou redden alleen in een trein waar Frans de voertaal was. Paniekerige ogen. Tranen. En toen dat vreselijke geluid van sluitende deuren.

'Neeeeeeeeeeeee!'
Mijn omvangrijke lijf totaal onhandig tussen de halfdichte deuropening als blokkade. De rugzak stak uit, de koffer lag nog op het perron, het fluitsignaal bleef snerpen, ik bleef schreeuwen. En toen kwam heel kort de bevrijding, als in een zucht gingen de deuren weer heel even open. Nano en ik gooiden in topsnelheid onze bagage en lijven de trein in.
We trilden. Toen we in het hotel aankwamen trilden we nog steeds. De hele reis daarna naar de evenaar bleek een peuleschilletje. Dat dan weer wel.

donderdag 21 maart 2019

7 Adressen - 7 Scenes

Zandberg 2 Schinnen (1982-2000)

Met een mengeling van spanning en opwinding duwen we het kwartje in het busje van het kapelletje. Nu mogen we een kaarsje aansteken. We zijn er niet volledig van overtuigd dat het gaat helpen. We zijn allemaal niet gedoopt, hebben geen communie gedaan en het kwartje hebben we net uit het keukenlaatje gestolen. Maar de andere optie is niets doen, en dat klinkt momenteel als een heel slechte optie. Als hij echt achter ons aan is gekomen, zijn we misschien wel in levensgevaar.

Het was voor het eerst dat we echt door het hekje waren gegaan. We hadden het al jaren in het vizier gehad. Natuurlijk hadden we dat. Onze honger naar speelruimte was onstilbaar. De wei van een halve hectare die rond ons huis lag leek misschien de eerste jaren oneindig groot, maar op den duur wilden we meer. Dus we veroverden het bosje dat achter aan de wei grensde. Buurtkinderen die dachten ook in het bosje te kunnen spelen, kregen van ons te horen dat ze konden ophoepelen omdat het óns bos was. We bouwden er ondergrondse hutten, speelden er tikkertje, speelden met de oude matrassen die mensen er gedumpt hadden en krasten onze namen in bomen. En toen we daar ook allemaal op uitgekeken waren, verlegden we onze grenzen naar de tuinen die ook grensden aan het bosje. We speelden stiekem met de speeltoestellen in de tuin van Joyce, als we zeker wisten dat ze niet thuis waren, of we struinden door de hooibalen die lagen opgesteld in een ander aangrenzend weiland.
Maar het hekje, daar liepen we altijd vol ontzag omheen. Het leek wel of je een sprookjesboek had opengeslagen, zoals het daar tussen de bramenstruiken stond, een geheimzinnig pad afschermend. Zou het pad leiden naar een geheime tuin, vol pracht en praal, bonenstaken die tot de hemel reiken? Of stond er een grote oven, klaar om buurtkindertjes levend in te verbranden? We wisten het niet, en tot deze dag hadden we de gok nooit durven wagen.
Ik kan niet bidden. Het enige gebed dat ik ken is ‘De aarde die het voor ons bewaarde, de zonne die het rijpen deed. Lieve zon en lieve aarde, zorg dat ik het nooit vergeet.’ Ik zeg het een keertje zachtjes terwijl ik naar het Mariabeeld in het kapelletje kijk, maar het klinkt meteen absurd. De zon en de aarde gaan ons echt niet van de man met het geweer redden. Ik probeer iets van het Onze Vader te herinneren. Mijn opa praat altijd heel onduidelijk als hij bidt. En ik ben meestal vooral bezig met mijn lach inhouden in plaats van ontcijferen en onthouden wat hij zegt. Ik kom alleen maar op de eerste regel. Onze vader die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd. Ik herhaal hem een paar keer, net zo onduidelijk als mijn opa altijd doet. Ik kan me niet voorstellen dat dit echt gaat helpen, maar ik durf ook niet te stoppen. Ik hoor dat de anderen meedoen. Blijkbaar heeft onze collectieve angst ons gevoel voor schaamte overwonnen. Terwijl eerder in het bos juist de angst was weggeduwd door onze nieuwsgierigheid. En onze bewijsdrift. We waren dit keer met een groep in het bos, niemand wilde laten zien dat ie niet door het hekje durfde, natuurlijk niet. We waren geen doetjes. En dus hadden we voor het eerst de stap door het hekje gewaagd. Onze heldhaftigheid hield maar kort stand. Toen er een donker gestalte opdoemde op het paadje achter het hekje, zetten we het massaal op een lopen. In de blinde paniek die ontstond hadden een paar van ons toch nog dat lange voorwerp in zijn hand weten te onderscheiden. Het voorwerp dat dreigend onze kant op priemde. Ik weet eigenlijk niet wie die paar waren die het wapen hadden gezien. Ik weet opeens ook niet meer of ik het zelf echt gezien heb. Maar al heb ik het niet gezien, de rest roept het ook, dan moet het wel waar zijn toch?

Hoe lang zou je moeten bidden voordat het werkt? Ik ben er eigenlijk wel een beetje klaar mee. Het begint donker te worden. Zou de man echt nog door de straten van Schinnen aan het rennen zijn op zoek naar ons? Of misschien zit hij ons op te wachten op ons terras, zijn geweer steunend tussen zijn benen, mijn ouders er woest naast om wat hun kinderen nou weer hebben uitgevreten. Ik probeer me een rooskleuriger scenario in te beelden. Ik stel me voor hoe hij door zijn vrouw naar huis wordt geroepen omdat de soep met draadjesvlees voor hem klaarstaat. Zou honger het winnen van boosheid?
‘Héten komen,’ klinkt het door de straat. Al zou ik mijn moeders stem niet hebben herkend, dan had ik toch honderd procent zeker geweten dat zij het was omdat ze de enige is die ‘eten komen’ met een h ervoor roept, op last van haar logopedist. Het ‘heten komen’ klinkt doodnormaal, zeker niet alsof ze onder schot gehouden wordt door de man van het hekje. Het is voor ons genoeg om collectief de gespannen bubbel te laten barsten. We rennen naar huis, het verhaal van de man, het hekje en het geweer voor decennia achterlatend bij het Mariabeeld.


Mierenmeent 46, Hilversumse Meent (2000)

De bel. Ik ren naar beneden vanaf mijn zolderverdieping. Ik ben net iets eerder bij de deur dan mijn hospita. Met een zwier trek ik de deur open en ik zie hem staan. Ik zou hem op zijn mond willen zoenen, maar voel de ogen van mijn hospita in mijn rug prikken. Ik draai me om naar haar, mijn lange dreads wapperen alle kanten op. ‘Dit is mijn oom’ zeg ik triomfantelijk. Ik zie hoe ze wat zuur de situatie probeert in te schatten, met haar hoogblonde suikerspin op haar hoofd. Ze kan me niks maken. In de lijst van regels die ik na het tekenen van de huurovereenkomst opeens onder mijn neus geschoven kreeg, prijkte bovenaan dat er géén vriendjes welkom zijn op mijn kamer. Maar een oom kan ze niet weigeren. Ik heb zin hem bij zijn hand te pakken en de trap op te trekken, maar hou me in en met een paar treden tussen ons in lopen we naar boven. Als mijn deur in het slot valt, voel ik direct zijn lippen in mijn nek. ‘Heeft het toch nog een voordeel dat ik een oude getrouwde man aan de haak heb geslagen’ fluister ik in zijn oor.



Hoge Naarderweg 135 Hilversum (2000-2005)

Ik weet het zeker. Ik ben dood. Of misschien ben ik aan het doodgaan. Dat zou ook nog kunnen. Ik adem dood. Ik vind het meteen ook heel aannemelijk klinken dat dit de dood is. Ik mis een aantal dimensies. Tijd is niet meer. Ruimte bestaat niet meer. Daarmee is elke andere plek dan deze voorgoed buiten mijn bereik komen te liggen. Het is niet erg. Ik ben dood en dan is er een nieuwe dimensie. Het gaat niet meer om links of rechts, voor of achter. Het gaat om iets heel anders. Ja, dit moet de dood wel zijn.

Ik lig op bed. Opgebaard. Ben verbaasd dat ze me met mijn rug naar de visite hebben gelegd. Gelukkig; ze leggen me toch nog op mijn rug, mijn handen in elkaar gevouwen onder mijn borsten. Mooi, maar ook wel meteen heel echt. Mijn huisgenoot Bart zit op de bedrand. Hij houdt mijn hand vast. Zo doe je dat als iemand dood is. Hans aait me. Ik zeg dat ik dood ben. Ze zeggen van niet. Ze zeggen dat dode mensen koud zijn en laten mij voelen hoe warm ik ben. Ik zeg dat ze de koeling onder mij aan moeten zetten.

Ik ben een beetje teleurgesteld over de opkomst. Alleen mijn huisgenoten komen kijken terwijl ik op mijn studentenkamer opgebaard lig. Ze hebben niet eens de zooi een beetje opgeruimd. Ik vind het niet netjes van mijn vader en moeder dat ze niet eens even langskomen. En waar blijft eigenlijk die dokter. Hans laat me toch niet zo sterven in zijn armen? Ik had allang een dokter gebeld. Hans zegt dat hij denkt dat het niet nodig is. En hij zegt iets over een cake die ik vanmorgen gebakken heb en nu helemaal op is. Die woorden zeggen me niks. En ik wil geen cake bij mijn uitvaart.
Nu ik dood aan het gaan ben, komt mijn leven in een flits voorbij. Dat valt tegen. Ik zie alleen maar saaie momenten. Ik word een beetje boos. Was dit het dan? En nog steeds geen dokter. Ze maken een fout, waarom geloven ze me niet als ik zeg dat ik stervende ben? Oh wacht, ze doen mijn oog open. Dit moet haast wel in het ziekenhuis zijn. Een dokter kijkt of ik dood ben. Dat ben ik. Nu is het zeker.
De begrafenis kan beginnen. Hela, ik wil wel wierook. En muziek.
Daar komt Tom Waits al. Russian Dance op de achtergrond, ik stokstijf, kist dicht.
Zand. Heel veel zand. Over mij heen.



7 Miles Mityana Road, Bulaga, Oeganda (2005)

‘Madam? It’s lunch time!’ Ik was ver weg en kijk verward op mijn horloge. Lunch time? Het is 5 uur. Dat is nog de Nederlandse tijd, denk ik. Maar zoveel uur is het verschil toch niet? Ik kom de deur uit en kijk uit over het pleintje waaraan ik vanaf nu woon. Ik zie uit alle deuren jongens verschijnen met borden. Mijn buurjongen klimt langs de muur omhoog om een vork tevoorschijn te toveren die hij daar na de vorige maaltijd verstopt heeft. Hij lacht zijn tanden bloot als hij ziet dat ik zijn tafereeltje bekijk. ‘Your forks arn’t safe here!’ waarschuwt hij met een knipoog.
De kok staat achter twee grote pannen klaar en schept met een plastic bord dat dient als opscheplepel op elk bord dat langs komt een homp witte brei en daarna een saus van bruine bonen. Ik sla het gade vanaf de veranda voor mijn deur. De zon schijnt zoals ie alleen op de evenaar schijnt, en het ruikt naar Afrika. Alles wat ik zie, ruik, voel en hoor voelt overweldigend prettig. Ik weet niet wat ik moet doen om alles zo veel mogelijk in me op te nemen. Ik heb zin om alles op te slokken, om het gulzig tot me te nemen. Met een grote grijns op mijn gezicht loop ik op blote voeten richting de kok. Ik kan me niet herinneren dat ik me ooit ergens meteen zo thuis heb gevoeld.



Cornelis Ertsenstraat 54 Hilversum (2005-2011)

‘Zet je voet maar even hier tegenaan’. De verloskundige heeft een plekje gevonden waar het precies past en leidt mijn voet naar de klerenkast die naast mijn bed staat. Mijn zus schijnt met mijn bureaulamp bij. Ik concentreer me op mijn dochter die voor het eerst op zoek is naar het goud dat uit mijn borsten komt. Heel even kijk ik op naar de verloskundige. Een half uur ervoor had ze nog een ambulance gebeld om me op te komen halen. Dat was voor mij het zetje geweest om toch nog een tandje bij te kunnen zetten. Ik wilde niet, weer, naar die vreselijke steriele ziekenhuissfeer. En nu zit ze daar met naald en draad klaar, ik vind het bijna knus, zo op mijn mini slaapkamer geklemd tussen mijn kast en bed. Nee, ik heb het allemaal niet voor elkaar zoals het hoort, we zitten hier met z’n allen op een paar vierkante meter, de vader van mijn kinderen zit 5000 kilometer verderop, maar hey i do it my way, en dat bevalt fucking goed! Laat die hechting maar komen.



Leliestraat 37 Hilversum (2011-2018)

In een prachtig karakteristiek wit Dudokpand aan de Leliestraat zit een goedlopend bedrijf.
De afdeling Logistiek houdt zich bezig met een vrij ingenieus schema waarin staat wie op welke dag op welke tijd waarheen moet.
 De afdeling Melk zorgt ervoor dat Zoë van moedermelk kan genieten. In overleg met de afdeling Logistiek zorgt deze afdeling ervoor dat de vriezer gevuld blijft met borstvoeding. Zij draagt er ook zorg voor dat er ook als het Melklichaam door verplichtingen buiten de deur ergens anders verkeert dan Zoë er alsnog melk geproduceerd wordt. Daarvoor is er geïnvesteerd in een kolf en de afdeling Logistiek kwam met een geweldig oplossing zodat er een aantal dagen per week ook live gevoed kan worden ook al is het Melklichaam buitenshuis aan de slag. In de avond is de afdeling verantwoordelijk voor het uitkoken van de kolf, het ontdooien van de melk voor de volgende dag, het labelen van de melk zodat duidelijk is welke melk ontdooid is en welke vers en het bijkolven van extra melk als de diepvriesvoorraad daar om vraagt. En op verzoek zorgt deze afdeling er natuurlijk dat Zoë live gevoed wordt, ook ’s nachts. Daarmee is deze afdeling de enige die 24/7 draait.
De afdeling Babyzaken-overig heeft het aanzienlijk rustiger, al lijkt het takenpakket een stuk breder. Het in de gaten houden van het wel en wee van een baby, plannen van bezoekjes aan consultatiebureau, bekijken of het babytje nog iets nodig heeft en zorgt dat het babytje niet constant naar uitgespuugde melk ruikt vallen allen onder de verantwoordelijkheid van deze afdeling.
De afdeling Kleuterzaken zorgt dat er ook aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van Nano. Dat er overleg is met de juf over hoe het gaat, dat er overleg is met de huisarts over dingen die niet gaan. En dat er regelmatig een spelletje gespeeld wordt, voorgelezen wordt of anderszins aandacht gegeven wordt, zodat de opmerking 'Zoë krijgt altijd alle aandacht' zo min mogelijk valt.
De Catering-afdeling houdt zich bezig met al het andere voedsel dan de moedermelk. Die zorgt dat het trommeltje van Nano gevuld is met gezonde lekkere dingen. De avond voorafgaand aan hele dagen werken kookt de Catering-afdeling alvast een maaltijd voor de volgende dag. Na 8 uur werken, kind 1 ophalen bij dagverblijf, kind 2 ophalen bij naschoolse blijft er namelijk wel heel weinig tijd over om te koken. En uiteraard eist de afdeling Melk praktisch altijd precies op dat moment dat er gevoed wordt en de afdeling Kleuterzaken dat er na een lange school- en opvangdag geluisterd wordt naar verhalen over vriendjes en fantasiewezens.
De afdeling Financiën breekt zijn hoofd over hoe een parttime baan en torenhoge rekeningen voor opvang te combineren.
De afdeling Interieurverzorging is helaas als enige nooit echt van de grond gekomen.
En wat ik dan nog de hele dag doe? Tja, geen idee eigenlijk.



Edisonstraat 31 Hilversum (2018-heden)

Jarig Jetje huilt. Tussen het snikken door zegt ze dat het de aller aller stomste verjaardag ooit is. Ze rilt. Haar turnkleren zijn door de koude februariregen doorweekt geraakt. Nog geen uur geleden stond ik trots met mijn handen in mijn zij te kijken van het aanrecht naar de klok. De bokkenpootjestaart met de chocolade acht erbovenop en de pistache-limoentaart waren af, het avondeten was klaar, de eitjes waren gevuld. En de klok gaf nog zeeën van tijd aan voordat het bezoek zou komen. Ik hoefde alleen nog maar wat laatste dingen op te ruimen, Jarig Jetje op te halen van de training en met haar een laatste taart in elkaar te draaien. Ik zag zelfs voor me dat we nog wel een spelletje konden spelen voordat haar verjaardag echt los zou barsten. Wat een heerlijk rustgevend unicum.

Het kan verkeren, dat blijkt wel. Ik moet mijn sleutelbos ergens tussen huis, supermarkt en de turnzaal verloren zijn. De reservesleutel was uiteraard de laatste keer dat er een beroep op was gedaan niet terug gelegd op zijn schuilplek. En degene die een andere reservesleutel thuis heeft liggen voor dit soort noodgevallen, is onbereikbaar. Een reconstruerend ritje langs supermarkt en turnzaal levert niet het gewenste resultaat op.

Mijn zoon staat al een tijdje op het dak van de schuur. Het is niet de eerste keer dat hij een huis van ons moet beklimmen omdat we ons hebben buitengesloten. En het is niet de eerste keer dat ik me realiseer dat dat natuurlijk eigenlijk mijn taak is maar dat het toch weer anders loopt.
Vanaf het dak van de schuur moet hij een paar stappen op de dakpannen zetten om bij het raam van zijn kamer te komen dat godzijdank op een kier staat. Hij roept naar beneden dat de dakpannen echt te los liggen om op te kunnen staan.

Ik huil niet vaak. Meestal als ik huil is het een preventieve-huil, een oh stel je toch voor dat dit of dat zou gebeuren-huil. Of een stress-huil. Ik voel nu ook tranen, van beide soort een beetje. Terwijl ik mijn zoon daar op de dakrand gadesla, zie ik hem voor mijn voeten neervallen. Mijn dochters verjaardag zal nooit meer feestelijk zijn. Of de buren bellen Bureau Jeugdzorg bij het zien van mijn zoon die aangemoedigd wordt door zijn ontaarde moeder om verder het dak op te klimmen. Uithuisplaatsing. Een gruwelijk leeg nest als een gapende wond. De kinderen een levenslang trauma omdat ze misbruikt worden door het zoveelste pleeggezin waarin ze terecht komen.

‘Er is wel iets,’ zegt mijn zoon opeens met een geheimzinnig lachje om zijn mond. Hij wacht even voor hij verder gaat, alsof hij daarmee wil aangeven dat zijn idee misschien de moeite van het vertellen niet eens waard is. Maar na een klein knikje van mij komt hij toch met zijn idee voor de proppen.
‘Er moet op mijn bureau ergens de sleutel liggen. Als ik nou een magneet koop en die aan een touw bindt…’ Hij maakt zijn zin niet af en wimpelt het idee met zijn hoofd af. ‘Laat maar, dat gaat natuurlijk nooit werken.’ Naast me staat jarig jetje, haar snikken is steeds meer veranderd in grommen. Vanwege die aller stomste verjaardag ooit. Ik vind mijn zoons idee even briljant als absurd. En ik doe niks liever dan meegaan in zijn vindingrijkheid. Zeker als het alternatief een vreselijke verjaardag in de kou is, met een aantal overheerlijke taarten onbereikbaar nog geen meter van ons vandaan. Of een slotenmaker die ons voor honderden euro’s oplicht.

Ik geef hem mijn pinpas en speur zelf met Jarig Jetje in de tussentijd nog eens de supermarkt af. Hij komt thuis met twee prachtige sterke magneten. Wij met niks. En vrij snel daarna staat hij weer op de dakrand, met in zijn hand een lasso met aan het eind de twee magneten. Hij kan vanaf de dakrand zijn bureau niet zien dus het moet op de gok. Met een flinke slingerbeweging gooit hij zijn lasso uit, zijn kamer in. Hij trekt het touw naar zich toe. Er kleeft iets aan de magneet, het hoesje van de Ipod Nano. Hij werpt nog eens, raakt iets, maar dat valt er bij het binnenhalen van de lasso vanaf. Derde poging.
‘Volgens mij heb ik hem,’ zegt hij net zo voorzichtig als dat hij zijn idee uit de doeken had gedaan. Maar als hij het touw heel langzaam naar zich toe trekt, maakt zijn voorzichtige houding steeds meer plaats voor euforie. ‘Ik heb hem, het is hem!’ Hij kijkt me heel even aan, met een glinstering in zijn ogen. En ik glinster met heel mijn lijf terug.

Jarig Jetje heeft iets langer nodig om weer te kunnen glinsteren, maar als de sleutel daadwerkelijk weer in de deur zit, nog voor het eerste bezoek is gearriveerd, verschijnt ook bij haar eindelijk weer die echte verjaardags-glans op haar gezicht. De taart heeft nog nooit zo lekker gesmaakt. En mijn zoon heeft nog nooit zo trots verteld over hoe een geniale ingeving van hem perfect uitpakte.

’s Avonds kijk ik met grote ogen op zijn kamer. Het is er echt een grote zwijnenstal. Zijn bureau staat een stuk verder van het raam af dan ik in mijn hoofd had en ligt helemaal bezaaid met zooi. Hoe hij daar in drie blinde pogingen de sleutel uit heeft weten te vissen, is me werkelijk een raadsel.

vrijdag 15 maart 2019

Dokter Steen


Hij zat er al een hele tijd, en ik wilde dat hij weg ging. Eerst was hij nog bijna onzichtbaar geweest, maar naarmate de tijd verstreek had hij steeds meer de aandacht opgeëist.
Wie Eveline is? Die ronde vrouw met die pukkel bij haar oog!
Het moest maar eens afgelopen zijn. En dus besprak ik het met mijn huisarts die mij beloofde de pukkel zonder probleem heel mooi weg te kunnen halen. Hij had het bijna gretig gezegd. Misschien omdat ie blij was dat er tussen al die rare klachten waar ik mee kwam er ook eentje gewoon lekker makkelijk op te lossen was. Piece of cake. Maar zijn assistente plande het stukje cake bij een andere dokter in. Dokter Steen. Ik wilde niet kinderachtig doen en waarom zou Dokter Steen het niet net zo mooi weg kunnen branden als mijn eigen dokter? Hij klonk als een rots in de branding. Het was een praktijk met allemaal ervaren huisartsen dus ik deed mijn best te denken dat er geen reden was aan te nemen dat alleen mijn eigen dokter dit klusje zou kunnen klaren. De assistent beaamde dat en dus zat ik op de bewuste dag in de wachtkamer te wachten tot Dokter Steen me zou komen ophalen. Een jonge, fragile vrouw deed de deur van de wachtkamer open.
  ‘Hoi, ik ben Dokter Steen, arts in opleiding.’
Ze was geen rots in de branding realiseerde ik me meteen toen ik haar slappe hand voelde.
  ‘Die ingreep heb ik nog nooit gedaan,’ deelde ze droogjes mee toen ik haar had verteld waarvoor ik kwam. ‘Maar als de assistent zegt dat ik het kan, zal het wel goedkomen.’ Met mij kwam het vanaf dat moment niet meer echt goed.
Ze zette een verdoving in mijn wenkbrauw en terwijl ze met een hand een doekje op mijn oog drukte, rommelde ze met haar andere hand in de kast die ze nét kon bereiken. Ik denk niet dat ze doorhad hoe hard ze op mijn oog duwde. En ik snapte ook niet waarom ze me niet zelf dat doekje liet vasthouden. Ze rommelde verder en kon duidelijk niet precies vinden wat ze zocht. Toen ze weer opkeek, sprak ze de bemoedigende woorden ‘Jemig, het bloedt wel echt heel erg.’ Ze liep even naar de gang, allicht op zoek naar iemand die haar kon zeggen dat ze het niet hoefde te doen als het niet goed voelde. Maar ze trof denk ik niemand, want ze was binnen een paar tellen weer terug. Ze zette wat onhandig een soort brander in elkaar en ging voor me zitten, het ding in de aanslag. Ik vroeg nog met een dun stemmetje of ze niet moest checken of de verdoving wel werkte. Die werkte volgens haar altijd heel snel. Dus dat viel dan alweer mee.
Er ging een soort diepe trilling van de pukkel door mijn neus naar mijn andere oogkas toen ze de brander aanzette. Ik riep geschrokken dat ik gewoon van alles voelde. Ze fronste even haar wenkbrauwen en vroeg of het píjn deed. Ik wist even niet of het pijn deed, het was een gevoel dat ik nog nooit gevoeld had en moeilijk onder woorden kon brengen. Maar onaangenaam was het zeker. En ook niet iets wat ik verwachtte te voelen als er verdoofd was. Ze zette de brander weer neer en liep nog eens naar de gang om wederom binnen een paar tellen weer terug te komen.
  ‘Dan moeten we er misschien nog maar een verdoving in doen.’
Ik probeerde op mijn ademhaling te letten, en mijn klamme handen te negeren. Zou ik degene moeten zijn die nu zou moeten zeggen: hey het geeft niet als je het niet wilt of kunt doen. Ik kan wel wachten tot mijn eigen dokter tijd heeft. Dan kun jij misschien gewoon eerst een keer een pukkel op iemands onderrug wegbranden voordat je je waagt aan mijn oog?
Ik weet niet precies hoe ik tot de conclusie kwam dat ik dat toch echt aan haar vond om dat te zeggen. Ik vroeg dus alleen om een glaasje water, omdat ik me echt niet zo heel lekker meer voelde. Ze was druk met de nieuwe verdoving, dus die vraag kwam voor haar even niet uit. De nieuwe verdoving hielp. Waarmee ik dus voorzichtig concludeerde dat die eerste niet had gewerkt. Kon gebeuren. Ze stond weer met de brander in de aanslag. ‘Vol goede moed’ zou ik willen zeggen, maar dat was niet wat ik zag. De rots in de branding was verworden tot een paar marginale kiezeltjes. Ik probeerde het gesprek nog open te gooien zonder uit te spreken dat ik geen vertrouwen in haar had.
  ‘Gaat het lukken?’
  ‘Als de huisarts heeft gezegd, dat het heel makkelijk is, dan zal het wel gaan lukken.’
Het gaf niet zo veel vertrouwen.
Ze begon weer met branden. De onaangename trilling was weg, ik voelde enkel mijn hoofd flink op en neer schudden door de kracht waarmee ze het ding probeerde weg te branden. Ze stopte even.
  ‘Zo makkelijk als je dokter zei dat het zou zijn, is het echt niet,’ mompelde ze. Ik denk dat ze het college over patiënten geruststellen nog niet had gevolgd.
Ze stootte met verbeten blik met de brander tegen mijn oogkas aan. Het deed me denken aan mezelf als ik met een houtboortje in een betonnen muur probeer te boren. Ik denk dat we alle twee op dit moment klamme handen hadden en de vurige wens dat de ander een eind zou maken aan de situatie door uit te spreken dat we beter konden stoppen. Maar we zwegen allebei en het gezamenlijk ellendige gevoel bij dit moment zorgde helaas niet voor een gevoel van verbintenis.
Het was uiteindelijk dokter Steen die een eind maakte aan de situatie. Ze liet een vies donker stukje vlees zien. Ik werd nog wat misselijker. Misschien wilde ze laten zien dat de martelgang de schuld was van het grillige stukje vlees, en niet van haar onkunde. Ze zag er opgelucht uit. Ik voelde me helemaal niet opgelucht. Er zat een pleister over het slagveld geplakt, maar die moest er ooit weer vanaf. Ik wankelde op mijn benen bij die gedachte en liep zonder haar te bedanken de praktijk uit.

maandag 22 oktober 2018

Stoep

Het was maar een paar meter geweest. En de stoep was vrij breed. Tuurlijk mag het niet, maar het was niet zo dat ik rakelings langs hem was gefietst. Hij had in zijn oude rood witte Citroen DS zitten knutselen toen ik hem passeerde. Ik was al twintig meter verderop toen ik opeens geschreeuw hoorde. Ik stopte en keek verbaasd om wat er gaande was. Hij was uit zijn auto gekomen, zijn vuist in de lucht. Hij riep.
   'Vieze kut!'
Overrompeld keek ik achter me, daar stond niemand. Ik keek weer naar hem. Zijn ogen spuugde vuur, zijn mond spuugde scheldwoorden.
   'Uh heeft u het tegen mij?' vroeg ik, nog steeds verbouwereerd.
   'Jazeker, klootzak!'
Wel leuk dat hij genderneutraal schold, want waarom zou ik niet ook een klootzak kunnen zijn? Toch waagde ik er nog een blik over mijn schouder aan, kijken of daar niet toch iemand anders stond waar deze scheldkanon voor bedoeld was.
   'Nee ik bedoel jou hoor,' hij hapte naar adem.
   'Vieze kut'.
Hij schuimbekte en klampte een vrouw met hoofddoek aan die langs kwam lopen.
   'Ze is een vieze kut! Een klootzak!'
Ik kon de reactie van de vrouw niet zien. Ik had ondertussen wel oogcontact met meerdere automobilisten die stapvoets langsreden en wiens aandacht door de scheldende bejaarde getrokken was. Ik keek ze aan met een vertwijfelende blik. Ik wist het ook niet, echt niet. Ik wist niet eens of het was omdat ik over de stoep had gefietst of dat ik iets anders had misdaan in de ogen van de man.
Ik was alleszins blij dat ik mijn kinderen niet bij me had, je moeder zo uitgescholden horen worden, dat moet geen pretje zijn. De scheldpartij ging ondertussen onverminderd door. Hij had niet veel variatie in zijn scheldwoorden noch in de intensiteit waarmee hij ze mijn kant op vuurde.
En opeens kreeg ik heel erg de behoefte sorry tegen hem te zeggen. Sorry dat het leven van u zo'n vreselijke boze man heeft gemaakt. Of nee, zo crue kan het leven toch niet zijn, dat het van iemand zó een vreselijk grove en bittere scheldfabriek kan maken? Daar moet Meneer Alzheimer of een van zijn vrienden achter zitten.
Sorry meneer, sorry. Echt.
Ik fietste weg, op de straat. 

maandag 2 juli 2018

Hoe Nick me weer veranderde in een bakvis

Kurt Cobain had het niet getroffen. De enige op de hele wereld die hem écht begreep, was een 14 jarig meisje uit Limburg. Dat dat begrip van het meisje pas kwam nádat Cobain het leven liet, maakt het allemaal extra wrang.  Voor alle betrokkenen.
Want ook voor mij was het geen makkie, het omgekeerde gold namelijk net zo goed: de enige die mij écht begreep was een overleden aan heroine verslaafde zanger waar de halve wereld voor viel.
Ik zwijmelde weg bij zijn blauwe ogen die me vanuit alle hoeken in mijn kamer aankeken. Ik viel elke nacht in slaap terwijl hij slaapliedjes voor me zong. Het had niet veel gescheeld of ik had 'i love you kurt' op mijn voorhoofd getattoeerd. In tegenstelling tot vriendjes in die tijd, waren Kurt en ik 4ever, dus die tattoo durfde ik eigenlijk best wel aan.
Kleine meisjes worden groot, en zo gebeurde het toch dat ik door de tand des tijds wat meer bij zinnen kwam. Het was toch niet zo handig dat de liefde van mijn leven én dood én onbereikbaar was. Wedijveren met anderen die ook postuum met Kurt wilden trouwen, door te laten zien wie de meeste feitjes over hem wist op te lepelen, voelde op den duur een beetje treurig. De liefde bekoelde, en de muzikale liefdes die erna kwamen, waren duidelijk minder doorspekt van puberale idolate gedachten. Tuurlijk zonk ik ook weg in de ogen van Jeff Buckley en had ik graag door de krullen van Jim Morrison gekroeld, maar het was me inmiddels duidelijk dat mensen die jou niet kennen (en wederom ook weer dood zijn) moeilijk degenen kunnen zijn die jou het allerbeste begrijpen. Van de bands die daarna mijn hart veroverden, kan ik me niet eens herinneren hoe de zangers heetten. Maar ja, ik was inmiddels een volwassen vrouw, geen leeftijd voor puberaal gedoe. Vriendschappen en relaties ga je aan met mensen die je in het echte leven tegen komt, zangers maken muziek om je woonkamer minder stil te laten klinken, feestjes op te leuken, meer niet.
En toen kwam Nick. Of eigenlijk was Mr Cave er al heel lang. Als een sissende giftige slang was hij al tijdens mijn tienerjaren mijn leven in gedrongen.Tijdens de afwas met mijn vader schreeuwde hij door de keuken. En mijn vader en ik schreeuwden mee.( ik herinner me de wat genante situatie die ontstond als we 'And my dick felt long and hard' uit O'Malley's Bar, of  Mister Stagger Lee's expliciete oproep hem oraal te bevredigen meebrulden. Dan keek ik maar even exclusief naar het theekopje dat ik aan het afdrogen was terwijl we onverminderd hard de tekst meezongen). In die tijd was Nick niet meer dan één van mijn vaders muzikale helden waaruit ik vooral concludeerde dat de muzieksmaak van mijn vader zo slecht nog niet was.
Nick kwam pas echt in 2013, toen hij in Biddinghuizen Lowlands af sloot. Brak van een nacht doorfeesten, besloot ik toch even te gaan kijken bij de man die ik sinds ik niet meer met mijn vader de afwas doe eigenlijk nooit meer echt geluisterd had. Het was toch leuk tegen mijn vader te kunnen zeggen dat ik Nick had gezien, ja toch?  Maar Nick had grotere plannen. Nick pakte me bij mijn kladden, greep me bij mijn strot, spuugde op me, rolde zelf ondertussen over het podium, zakte door zijn knieën, snifte, brieste, ontplofte. Verbouwereerd aanschouwde ik het. En toen ik weg liep, voelde ik hoe hij zich met duivelse kracht onder mijn huid had genesteld.
Zijn gekreun en gekerm, zijn gepredik, de verhalen die hij uitspuugde klonken na dat concert regelmatig door mijn woonkamer. En langzaam voelde ik mijn liefde voor deze duivel groeien. Zijn onderwerpen, zijn expressie, zijn blik, zijn hele hoofd, alles aan deze man is evil, maar woest aantrekkelijk. Hij ademt vuigheid, hij bezingt de gruwelijkste kanten van het leven. Als een soort Jezus lijdt hij voor ons, en wij, wij mogen luisteren naar zijn verhalen, hij presenteert ons het slijk dat hij heeft opgedoken uit de diepste krochten van het leven. En daar naar mogen luisteren is geen gruwelijke ervaring, maar raakt het goddelijke. Zo erg dat hij de idolate tiener in me wakker maakt.

In oktober 2017 wilde Nick me na al die jaren wel weer zien en dus spraken we af in de Ziggo Dome. Ik nam mijn vader mee, ik moest Nick toch een keer aan hem voorstellen.
Ik was door het concert op Lowlands voorbereid op wat ging komen maar werd net zo hard weer omver geblazen. Als een beest beet hij in mijn nekvel en slingerde me door de Ziggo Dome heen, opgezweept door de Bad Seeds die hun instrumenten demonisch aan gort speelden.

Gisteren had ik weer een date met Nick. Nick had zo´n 30 duizend getuigen uitgenodigd die mochten zien hoe hij me voor de derde keer in mijn ziel raakte. Ze waren er stil van. En terecht, want de goeroe flikte het gewoon weer om het hele veld in z'n greep te houden, heen en weer te schudden tussen ingetogen kwetsbaarheid en totale chaos, tussen hemel en hel.
Vroeger had ik mijn idool graag helemaal voor mezelf gehouden, maar ouder en wijzer spreekt deze bakvis: ga hem zien als je kunt! Echt!Ik zal proberen niet de jaloerse echtgenote uit te hangen als je me vertelt hoe bovennatuurlijk de ervaring was.
Nick en ik 4Ever.

Een ongelofelijk verhaal

Hij liep al zolang dat hij niet meer wist of hij nou uren of dagen onderweg was. Zijn beide voetzolen bloedden, maar hij voelde het niet. De grond waarop hij liep, veranderde van droge rode aarde naar zompige moerasgrond, van dor gras op heuvels waarop koeien graasden naar dorpstraatjes vol met afval en uitwerpselen van de dieren en kinderen die er rondscharrelden. Maar hij zag en voelde het niet. Er deden verhalen over hem de ronde in het dorp. Verhalen die in Nederland maar weinig aftrek zouden vinden, maar in het Oegandese dorp lustten ze er wel pap van. Dat was niet zo gek aangezien bijgeloof een wijdverspreid groot goed was. Zo bleef ook het gehele dorp massaal binnen de nacht nadat er iemand overleden was uit angst voor "Night Dancers", dorpsgekken die in de late uurtjes op pad zouden gaan om doden te verorberen. Van zulke nare activiteiten werd hij niet beticht, zeker niet. Maar het hele dorp wist dat er achter zijn mooie glimlach een andere kant schuilging. Als hij boos werd gemaakt, zou hij in staat zijn tot zaken die den Nuchtere Hollander boven de pet gaan. En deze dag was hij boos gemaakt. Of eerder diep gekwetst. Zijn moeder was hem op komen zoeken bij zijn oma. En zijn moeder had een ongekend groot talent hem te kwetsen. Daar begon ze vroeg mee. Net drie maanden oud was hij toen ze hem bij zijn oma dropte omdat haar nieuwe vriendje helemaal geen trek had in een baby die niet de zijne bleek te zijn. Er was in al die jaren die sindsdien waren verstreken geen moment gekomen dat ze tot inkeer kwam en haar zoon weer in huis nam. Wel maakte ze een berg nieuwe kinderen met haar nieuwe lover waar ze vol overgave voor zorgde.

Wat ze deze dag tegen hem gezegd heeft weet niemand. Maar haar woorden moeten hem geraakt hebben in zijn hart. Ze hebben ervoor gezorgd dat zijn ogen begonnen te trillen en vanaf dat moment was hij niet meer in het hier en nu. Misschien was het iets over zijn biologische vader, die tijdens de zwangerschap doodgeschoten was. Misschien sprak ze uit hoe veel meer ze voelde voor alle kinderen die na hem in haar schoot geboren waren. Misschien liet ze merken geen spijt te hebben dat ze haar eigen zoon niet zelf opvoedde. Of liet ze hem met een vileine opmerking nog eens voelen dat ze hem kwalijk nam dat hij zoveel ruzie tussen haar en haar huidige man had veroorzaakt, al was zij uiteraard degene geweest die er zo’n potje van had gemaakt tijdens haar zwangerschap.

Hij had haar niet geantwoord, haar niet meer aangekeken. Het enige wat hij kon doen was lopen. Hij wist niet waar hij heen liep, hij was niet degene die de route bepaalde. Zijn voeten beslisten. Niet almaar rechtdoor, maar ogenschijnlijk kriskras door het heuvelachtige landschap. Waren zijn ogen in staat geweest iets te zien, dan had hij dorpen gezien die hij nooit eerder gezien had. Dan had hij overal volstrekt onbekenden naar hem zien staren. Maar zijn zintuigen waren uitgeschakeld. Hij voelde de zon niet recht boven zijn hoofd branden, hij voelde geen honger, geen dorst. Hij hoorde zijn zware ademhaling niet, merkte niet dat zijn lijf en kleren doordrenkt waren geraakt van het zweet. Dat zijn vitale tienerlijf op begon te raken na al die stappen -honderden? duizenden? - kwam niet in zijn hoofd binnen. Niks kwam er binnen, want zijn hoofd was gevuld met…ja met wat eigenlijk? Met ruis? Kortsluiting? Totale leegte?

Het was al -of weer? - donker toen hij, zonder dat hij het door had in de hoofdstad was aangekomen. De dorpse straatjes en landschappen ertussen hadden plaats gemaakt voor een eindeloos doolhof van smalle steegjes, om elke hoek doemde weer een nieuwe bulk van aan elkaar gebouwde kamertjes op. Golfplaten daken, eeuwige waslijnen, bergen afval, rondrennende kinderen, fietsen volgeladen met allerlei verkoopwaar. Zou je er de weg niet kennen, dan zou je zeker verdwalen. Maar hij liep er, voor het eerst van zijn leven, uren rond, in het donker, zonder dat hij ook maar één steegje dubbel aan deed.

En toen ging het licht uit. Bam. Met zijn rug tegen de muur van een van de vele huisjes die in de sloppenwijken stond zakte hij naar beneden. Hij bleef zitten, hijgend, licht schokkend. Het duurde niet lang of drommen mensen hadden zich om hem heen verzameld. Kinderen die tot laat op straat rondzwierven, mannen die amper op hun benen konden staan door de lokale alcoholische versnaperingen. Ook de moeder des huizes van het huis waartegen hij in elkaar was gestort, kwam met haar vier volwassen inwonende dochters op het tumult voor hun huis af. Ze zagen eerst de massa mensen, en toen pas de jongen die in elkaar gedoken tegen hun veranda aan zat. De vrouw des huizes, grijs kroeshaar op haar hoofd, stuurde resoluut alle pottenkijkers weg. Dat maakte klaarblijkelijk indruk; de drommen mensen verdwenen net zo snel als dat ze gekomen waren. Toen knielde ze naast de jongen. Ze hief met haar oude handen zijn hoofd op van zijn knieën en keek hem indringend aan. Zijn blik was nog steeds niet in het hier en nu. Ze schrok niet van wat ze zag, hoe bizar het ook was.

‘Welkom thuis zoon,’ sprak ze zacht tegen hem. Met haar woorden leek ze hem in één keer terug te halen naar het hier en nu. Zijn hoofd schokte een laatste keer en toen zag hij haar ook. Ze herhaalde haar woorden.

‘Welkom thuis zoon.’
Ze stopte hem in een van de vele bedden die achter de gevel van het huisje schuilging.
Toen hij de ochtend erna wakker werd, stond zij weer naast haar bed. Achter haar stond een man verscholen. Hij keek de jongen met grote ogen aan van over de schouder van de vrouw.
‘Ik heb een zoon,’ sprak de man vol ongeloof een aantal keer na elkaar.
De jongen gaapte de man aan. Het was alsof hij in een spiegel keek. Ze waren beide te verbouwereerd om verdere toenadering te zoeken. Maar de vrouw danste in het rond, haar vuisten in de lucht. Daarna gaf ze haar kleinzoon een knuffel die uren leek te duren, en misschien duurde hij ook wel echt zo lang.

Er gingen maanden overeen voordat de jongen zijn moeder zover had gekregen het verhaal op te biechten. Maar uiteindelijk kwam de aap uit de mouw. De twee vaders die hij zijn leven lang had gekend -de doodgeschoten man en de man die zijn moeder sommeerde te kiezen tussen de babyzoon en hem- bleken alle twéé niet zijn biologische vader. Haar zwangerschap was niet begonnen in bed van haar toenmalige vriendje, maar tijdens een one night stand in een Guesthouse in een van de sloppenwijken van de hoofdstad. De overeenkomsten tussen vader en zoon waren zo ongekend groot dat er geen DNA-test nodig was om te bewijzen dat uit dit slippertje deze jongen was voortgekomen. En voor zijn moeder was er ook geen ontkennen meer aan; ze moest met de billen bloot en gaf toe dat het potje dat ze er tijdens die 9 maanden van gemaakt had, veel groter was dan ze voorheen aan haar zoon had verteld.

De band tussen moeder en zoon kwam nooit meer goed. Maar zijn nieuwe familie bleef hem overspoelen met vreugdedansen en eeuwige knuffels , omdat hun (klein)zoon die ene nacht op zo’n bizarre wijze bij zijn familie terecht was gekomen.

vrijdag 1 juni 2018

50 dingen om chagrijnig van te worden


Een tijd geleden maakte ik een lijst met 100 dingen waar ik vrolijk van word. Ik lees hem nog steeds af en toe, en krijg er altijd een glimlach van op mijn gezicht.
Veel vrolijker dan een lijst met dingen waar ik chagrijnig van word, en toch had ik ook zin om die eens te maken. Goed te ontdekken dat ik er er veel langer over deed deze lijst bij elkaar te sprokkelen en dat ik daarom ook maar gestopt ben bij 50

  1. Een cassiére die -ondanks dat je haar er op wijst- de 35% Korting-sticker niet aanslaat en je naar de servicebalie stuurt als je er iets van zegt
  2. Twist-tampons die je met geen mogelijkheid open krijgt
  3. Mensen die gebakken lucht verkopen en daar ook nog carrière mee maken
  4. Websites waar belangrijke dingen verstopt zitten of niet goed werken
  5. Mijn fiets (rem blijft hangen (moet dus altijd even afstappen om hem los te krijgen als ik ook maar een beetje geremd heb)... zadel klapt de hele tijd omhoog en krijg hem niet meer van de derde versnelling af)
  6. Pijnboompitten die aanbranden terwijl je ernaast staat
  7. Eerste tekenen van migraine op een moment dat je eigenlijk even geen pijnstillers kunt nemen.
  8. Als iemand me heel enthousiast en amicaal aanspreekt en meteen laat blijken heel veel details van me te weten (Hoe was het vorige week afgelopen bij..) en ik het gezicht niet kan plaatsen
  9. Als mijn kinderen op zo'n pijnlijk moment hardop aan mij vragen 'mam: wie is dat??'
  10. Als ik eindelijk eens iemands gezicht wél herken op straat, enthousiast begroet en daarna besef dat het een bner was die ik helemaal niet persoonlijk ken...
  11. Als ik een serie hebt opgenomen ( teamnonetflix) en de laatste paar minuten missen
  12. Jeuk
  13. Als ik opeens besef dat ik allemaal steken heb laten vallen bij het organisatorisch draaiend houden van het gezin ( oh fuck had ik jullie daar al voor moeten opgeven? Huh is het morgen studiedag? Hoezo moeten jullie helemaal in het geel naar school vandaag?)
  14. Iets genaaid hebben met een flinke tricot-steek en er dan echter komen dat je het los moet tornen
  15. Rode vlekken in mijn nek terwijl ik niet eens heel veel stress heb ( of stress om heel stomme dingen, of gewoon stress die niemand anders iets aangaat )
  16. Google maps die pas de laatste seconde vóór je een afslag moet nemen zegt hoe veel langer of korter de alternatieve route is
  17. 9 van de 10 telefoontjes van de Garage als mijn auto door de APK moet
  18. Mensen die in hun marktplaats advertenties heel essentiële informatie zoals de maat niet vermelden of bijzonder slechte foto's plaatsen
  19. Haast hebben en kinderen hebben die niet vooruit te branden zijn
  20. Na 25 jaar (hoera, reden voor een groot bloederig feest!) ongesteldheid nog steeds verrast worden op de eerste dag of de ergste nacht
  21. Geen pedaalemmerzakjes in de pedaalemmer als je iets wil weggooien
  22. Met snoep overladen kinderen bij de vierdaagse, waardoor mijn kinderen alsnog een trauma oplopen terwijl ik wel al overstag ben en ze (gewoon een beetje) snoep geef.
  23. Problemen op werk die een jaar geleden al in precies dezelfde vorm langs gekomen zijn
  24. Een briefje in de brievenbus dat het pakket de volgende werkdag weer wordt aangeboden, terwijl ik al weet dat ik er dan ook niet ben
  25. Met tien man hengelen voor tickets voor een gewild concert/festival en dan allemaal misgrijpen omdat een stelletje malafide sukkels   ertussen zit om het lekker voor twee keer zoveel door te verkopen
  26. Kinderen die huilen en jengelen omdat ze hun zin niet krijgen
  27. Collega's die al in februari vakanties voor de zomer gaan aanvragen terwijl ik werkelijk nog geen flauw idee heb wat ik wil doen, met wie laat staan wanneer
  28. Lunchbuffet op werk dat bijna leeg is als ik ga lunchen
  29. Het moment vijf minuten nadat ik bedacht dat het een goed idee was om even snel droog mijn benen te scheren
  30. als je opeens in een periode terecht blijkt te zijn gekomen waarin alle apparaten het in je huis stuk voor stuk begeven
  31. drie dagen regen als je een kampeerweekend hebt gepland
  32. überhaubt drie dagen regen
  33. een platte band
  34. als ik een supergoed idee heb of een heel goed argument, maar mensen niet naar me willen luisteren
  35. onzeker zijn en daardoor dingen niet doen die je eigenlijk wel graag zou willen doen
  36. hoge rekeningen die ik niet zag aankomen
  37. een avocado die heel draderig of helemaal zwart blijkt als je hem open snijdt
  38. een kater van helemaal niet zo'n heel wilde avond
  39. mensen die eerst heel hard roepen dat ze het ergens niet mee eens zijn, maar als puntje bij paaltje komt hun mond houden en ja en amen knikken
  40. dingen met instanties die niet kloppen en waar ik achteraan moet gaan, en waar ik al van weet dat ik dat op een gegeven moment toch weer vergeet
  41. Als ik mijn stinkende best doe om alles rond te krijgen voor iets, of om ergens op tijd aan te komen en als dat door externe oorzaken dan toch helemaal de mist in loopt
  42. Technische klusjes waar ik vol goede moed aan begin maar na ongeveer 4 seconde al besef dat ik daar veel te onhandig en vooral ook ongeduldig voor ben
  43. Mensen die elke keer voordat ze wegrijden eerst hun motor veel te lang stationair laten lopen
  44. bozer op mijn kinderen worden dan eigenlijk nodig was
  45. mensen die duwen op de linkerbaan terwijl je >130 rijdt
  46. gladheid en het gevoel dat je hebt als je bijna valt met je fiets
  47. nadenken over gemiste kansen
  48. poep aan je schoen
  49. mensen die arrogant zijn terwijl de grootte van hun talent daar geen enkele aanleiding toe geeft.
  50. een stukje schrijven en niet kunnen kiezen tussen 'je' en 'ik' en daarom maar uitkomen op een chaotisch mengelmoesje dat geen schoonheidsprijs verdient
Gratis tip: samen met de Top 100 van de dingen die me blij maken, lijkt me dit een prima samenvatting van wie ik ben. Ideaal voor bruiloft, partijen, uitvaart, artikelen die over me geschreven moeten worden, necrologie enz enz.

Edit: bonus aanvullingen:
51. mensen die echt uren over voetbal kunnen praten en dat ook doen
52. Heleen van Rooyen
53. Victoria Koblenko
54. Halina Reijn
55. Trage mensen

donderdag 24 mei 2018

3 x lunch



1.
Het was me tot nu toe gelukt haar de hele lunch niet aan te kijken. Ik wist te weinig van de technieken van de AIVD, dat irriteerde me. Waarom had ik me niet beter ingelezen? Nu hadden ze iemand gestuurd en moest ik ter plekke bedenken waar ik op moest letten. Ze was vast goed getraind, dat leek me een zekerheid. Lichaamstaal, dat leek me nou typisch zoiets waar ze op zouden oefenen. Zorgen dat ze mijn blik niet kon vangen en lezen, dat was het eerste waar ik bedacht op moest zijn. Ik schoof zonder op te kijken haar drinken haar kant op. Alles wat ik zei zou natuurlijk tegen me gebruikt kunnen worden, dus het volgende wat me te doen stond was zwijgen. Een gezellige lunch zou het niet worden. Maar het was nu zaak scherp te blijven.
Ze hoestte. Niet intrappen. Niet opkijken. Helder blijven denken. Ik kon eigenlijk niks anders bedenken dan wegrennen, weg uit mijn huis, weg van haar. Maar hoeveel mensen zouden er niet voor de deur staan, op de galerij van mijn flat? Ze werd natuurlijk gedekt. Werden we gemonitord? Mijn blik schoot langs haar, mijn kamer door. De hoeken waren leeg. Ik scande de rest van mijn kamer af. Mijn oog viel op het bevestigingsplaatje van de lamp boven de tafel. Er zat opeens een opvallende knop in het midden. Dat zou er één kunnen zijn. Of misschien wel meerdere. Werkte de AIVD al met 360-graden-camera's? Verdomme, wat was ik slecht op de hoogte.
Het was nou niet bepaald zo dat dit als een donderslag bij heldere hemel kwam. Ik had al weken het gevoel dat het eraan zat te komen. Hoewel ik niet precies snapte wat ze van me wilden, kreeg ik steeds vaker het vermoeden dat ik in het vizier was. Ogen, overal ogen die op me gericht waren en weg schoten zodra ik terugkeek. En toch had ik niet de moeite genomen uit te zoeken hoe ze te werk gaan, wat ik moest doen om me te wapenen als ze echt opeens voor mijn deur stonden. Hoorde ik haar nu zingen? Ja het leek wel of ze zong! Mijn hoofd ratelde. Ik kon een paar betekenissen bedenken.

1. Zingen was een teken voor de mensen die ons monitoren dat ze moesten ingrijpen
2. Het was een afleidingsmanoeuvre; ze probeerde me uit de tent te lokken.
3. De woorden die ze zong waren een code. Maar voor wie? Voor mij? Hoe moest ik het ontcijferen?

Ik was pas op punt 3 gekomen toen ze alweer gestopt was met zingen. Ik had de woorden niet opgeslagen dus ik kon niks ontcijferen. Ik begon me steeds wanhopiger te voelen; dit was misschien de enige kans geweest om hieraan te ontsnappen en ik had hem gewoon gemist! Mijn knie trilde onophoudelijk. Dat moest ik stoppen, want dat zou haar zeker opvallen. Nervositeit is verdacht, dat snapte ik ook wel. Ik kon mijn been niet stoppen. Ik zat in de val. Moest ik me overgeven? Het zou niet lang duren of ze zouden me ontmaskeren. Het woei door mijn hoofd wat me boven het hoofd hing. Urenlange ondervragingen? Eenzame opsluiting? Isoleercel? Levenslang? Zouden ze mijn familie ook ondervragen?
Ik werd uit mijn gedachtegang gehaald door haar stem.
'Tante Nie-hien, ik heb een snot-te-bel.'




2.
Het was me tot nu toe gelukt haar de hele lunch niet aan te kijken. Ik had haar boterham in 16 gelijke vierkantjes gesneden en het bord blindelings over de tafel geschoven. Mijn blik week geen moment van mijn vork toen ik mijn boterham op at. Alleen toen ze het opeens nodig vond om met haar wangen volgepropt Ik zag twee beren te zingen, was ik genoodzaakt mijn blik te verzetten.
Ik concentreerde me op de vensterbank. Dat hielp. Ik had de vensterbank vanochtend twee keer schoongemaakt. Normaal doe ik dat maar 1 keer in de ochtend en dan om 5 uur nog eens. Maar toen ik zag dat het nog minder dan een uur zou duren voor mijn zus met mijn nichtje voor de deur zou staan, merkte ik dat mijn adem veel te hoog zat. Op mijn handen zaten rode vlekken. Ik heb de vensterbank nog eens afgenomen, uiteraard eerst met het wondersponsje, toen met een doekje met azijn en daarna nog met een Dettol -doekje. Dat hielp. Mijn handen zaten niet meer onder de vlekken toen ik uiteindelijk om 11 uur de deur opendeed. En nu had ik iets om mijn blik op te richten. De vensterbank glom. Veel meer dan normaal. Toch het overwegen waard om het ook op de lijst te zetten voor het rondje van 13 uur. Ik volgde met mijn ogen de strakke lijn van de vensterbank, van links naar rechts, weer terug van rechts naar links. Ik hoorde de twee beren bijna niet meer. Ik was blij dat er niks meer op de vensterbank staat. Ooit had ik er twee lege vazen op staan, maar die ontbraken de lijn altijd waardoor het me minder rust gaf. En ze waren een kriem om stofvrij te houden.
'Tante Nie-hien, ik heb een snot-te-bel’. Haar kinderstem trekt me ruw uit mijn zeepbubbel. Een snottebel, het woord klettert door mijn hoofd, spattend tegen de opgeruimde wanden van mijn gedachten. Mijn ogen schieten naar de tafel. Er hebben nog nooit zoveel kruimels op mijn tafel gelegen. Chaos. Maar ik ontwaar tussen de vuiligheid geen sporen van het S-woord. Dat stelt onverwachts gerust. Ik durf het aan haar aan te kijken om te kijken wat me te doen staat. Of nou ja, eerst even naar de keuken. Het water streelt mijn vingers, het glijdt tussen de groeven van mijn handen. Ik sluit mijn ogen. Terwijl de Dettol tussen mijn handpalmen in gemasseerd wordt, vergeet ik even wat voor hel mij staat te wachten in de eetkamer. Ik haal diep adem, de geur van schoon water, van ammoniak, van bleek.
Ik concentreer me weer op de vensterbank als ik met vijf doekjes in mijn hand de hel benader. Ik had haar een zachtere behandeling gegund, maar ik kan niet anders. Zonder te kijken schuur ik over haar gezicht. Ik had gehoopt niks te voelen door de stapel doekjes heen, maar ik voel het glijden en ik voel het stokken. Ik doe mijn ogen dicht en mijn hoofd maakt beeld bij wat mijn vingers waarnemen. Het S-woord is overal, in tig verschillende hoedanigheden, structuren en groen- en bruintinten. Ik ruik de Dettol niet meer, het heeft plaats gemaakt voor een misselijkmakende walm die zich behoorlijk brutaal aan me opdringt. Er is geen ontkomen aan. Ik blijf boenen. Net zo lang tot het groen voor mijn ogen verandert in zwart. In de verte hoor ik het gehuil van een kind.





3.
Het was me tot nu toe gelukt haar de hele lunch niet aan te kijken. Je zou misschien denken dat langdurig naar iemand kijken de oplossing zou bieden. Maar niks is minder waar, wist ik inmiddels. Hoe meer ik tot in de kleinste details iemands gezicht in me op nam, elke huidcel probeerde te scannen, hoe groter de frustratie dat ik in mijn hoofd telkens nul op het rekest kreeg.
Ik hoorde haar hoesten terwijl ik zelf mijn boterham in stukken sneed. Hoe lang zou ik hier al met dit meisje zitten? Ik keek naar de klok. Ik raakte verstrikt in de wijzers. Ze leken ook zoveel op elkaar en ik kwam er niet meer uit welke kant van de wijzer ik nou op moest kijken om af te lezen hoe laat het was. Na een tijdje zag ik toch dat de ene wat groter was dan de ander. Die zou wel het belangrijkste zijn, dus in concentreerde me daarop. Hij wreef met één uiteinde vlak voor de vijf. Dan zal het wel vijf uur zijn. Of vijf minuten. Kon het vijf minuten zijn? Ik mompelde het zachtjes om te horen hoe het klonk. 'Het is vijf minuten. Het is vijf uur. Het is vijf jaar.' Nee, jaren stonden volgens mij niet op de klok.
Ik keek terug naar mijn bord. Mijn oog viel op een klein vierkant briefje dat op tafel lag. Ik pakte het op, voelde het papier, de vingers van mijn linkerhand verfrommelde het tot het helemaal in mijn handpalm paste. Ik streek het weer glad. Ik zag het meisje naar mijn bewegende handen kijken. Zou ze mijn handen vaak gezien hebben?
Mijn tafelgenootje begon te neuriën. De woorden kwamen zo mijn hoofd in dwarrelen. Dus we zongen samen over twee beren. Over broodjes en wonderen. Voor even maakte het me niet uit dat ik niet wist wie ze was. We kenden alle twee dezelfde woorden en dezelfde melodie en voor nu was dat heel even genoeg.
Toen de woorden op waren, viel mijn oog weer op het blaadje. De kreukels waren er niet helemaal uit gegaan. Ik zag opeens dat er een woord op stond. Had dat er de hele tijd al opgestaan? Het waren letters zoals ik vroeger op school schreef. Het was de P en de L en de E en de U en de N. Ik volgde de lijnen op het papier met mijn vinger. Het begon toch weer te knagen. Ik zou zo graag kunnen plaatsen wie ze was. Ik nam een slok van mijn thee en verbrandde mijn mond bijna. 'Tante Nie-hien, ik heb een snot-te-bel.' Ik keek op, met een warm gevoel nam ik haar gezicht in me op. Ik glimlachte en bleef haar zo een tijd aankijken. Wat was ze mooi. En ze noemde me tante!