Non Fictie/Fictie

donderdag 21 maart 2019

7 Adressen - 7 Scenes

Zandberg 2 Schinnen (1982-2000)

Met een mengeling van spanning en opwinding duwen we het kwartje in het busje van het kapelletje. Nu mogen we een kaarsje aansteken. We zijn er niet volledig van overtuigd dat het gaat helpen. We zijn allemaal niet gedoopt, hebben geen communie gedaan en het kwartje hebben we net uit het keukenlaatje gestolen. Maar de andere optie is niets doen, en dat klinkt momenteel als een heel slechte optie. Als hij echt achter ons aan is gekomen, zijn we misschien wel in levensgevaar.

Het was voor het eerst dat we echt door het hekje waren gegaan. We hadden het al jaren in het vizier gehad. Natuurlijk hadden we dat. Onze honger naar speelruimte was onstilbaar. De wei van een halve hectare die rond ons huis lag leek misschien de eerste jaren oneindig groot, maar op den duur wilden we meer. Dus we veroverden het bosje dat achter aan de wei grensde. Buurtkinderen die dachten ook in het bosje te kunnen spelen, kregen van ons te horen dat ze konden ophoepelen omdat het óns bos was. We bouwden er ondergrondse hutten, speelden er tikkertje, speelden met de oude matrassen die mensen er gedumpt hadden en krasten onze namen in bomen. En toen we daar ook allemaal op uitgekeken waren, verlegden we onze grenzen naar de tuinen die ook grensden aan het bosje. We speelden stiekem met de speeltoestellen in de tuin van Joyce, als we zeker wisten dat ze niet thuis waren, of we struinden door de hooibalen die lagen opgesteld in een ander aangrenzend weiland.
Maar het hekje, daar liepen we altijd vol ontzag omheen. Het leek wel of je een sprookjesboek had opengeslagen, zoals het daar tussen de bramenstruiken stond, een geheimzinnig pad afschermend. Zou het pad leiden naar een geheime tuin, vol pracht en praal, bonenstaken die tot de hemel reiken? Of stond er een grote oven, klaar om buurtkindertjes levend in te verbranden? We wisten het niet, en tot deze dag hadden we de gok nooit durven wagen.
Ik kan niet bidden. Het enige gebed dat ik ken is ‘De aarde die het voor ons bewaarde, de zonne die het rijpen deed. Lieve zon en lieve aarde, zorg dat ik het nooit vergeet.’ Ik zeg het een keertje zachtjes terwijl ik naar het Mariabeeld in het kapelletje kijk, maar het klinkt meteen absurd. De zon en de aarde gaan ons echt niet van de man met het geweer redden. Ik probeer iets van het Onze Vader te herinneren. Mijn opa praat altijd heel onduidelijk als hij bidt. En ik ben meestal vooral bezig met mijn lach inhouden in plaats van ontcijferen en onthouden wat hij zegt. Ik kom alleen maar op de eerste regel. Onze vader die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd. Ik herhaal hem een paar keer, net zo onduidelijk als mijn opa altijd doet. Ik kan me niet voorstellen dat dit echt gaat helpen, maar ik durf ook niet te stoppen. Ik hoor dat de anderen meedoen. Blijkbaar heeft onze collectieve angst ons gevoel voor schaamte overwonnen. Terwijl eerder in het bos juist de angst was weggeduwd door onze nieuwsgierigheid. En onze bewijsdrift. We waren dit keer met een groep in het bos, niemand wilde laten zien dat ie niet door het hekje durfde, natuurlijk niet. We waren geen doetjes. En dus hadden we voor het eerst de stap door het hekje gewaagd. Onze heldhaftigheid hield maar kort stand. Toen er een donker gestalte opdoemde op het paadje achter het hekje, zetten we het massaal op een lopen. In de blinde paniek die ontstond hadden een paar van ons toch nog dat lange voorwerp in zijn hand weten te onderscheiden. Het voorwerp dat dreigend onze kant op priemde. Ik weet eigenlijk niet wie die paar waren die het wapen hadden gezien. Ik weet opeens ook niet meer of ik het zelf echt gezien heb. Maar al heb ik het niet gezien, de rest roept het ook, dan moet het wel waar zijn toch?

Hoe lang zou je moeten bidden voordat het werkt? Ik ben er eigenlijk wel een beetje klaar mee. Het begint donker te worden. Zou de man echt nog door de straten van Schinnen aan het rennen zijn op zoek naar ons? Of misschien zit hij ons op te wachten op ons terras, zijn geweer steunend tussen zijn benen, mijn ouders er woest naast om wat hun kinderen nou weer hebben uitgevreten. Ik probeer me een rooskleuriger scenario in te beelden. Ik stel me voor hoe hij door zijn vrouw naar huis wordt geroepen omdat de soep met draadjesvlees voor hem klaarstaat. Zou honger het winnen van boosheid?
‘Héten komen,’ klinkt het door de straat. Al zou ik mijn moeders stem niet hebben herkend, dan had ik toch honderd procent zeker geweten dat zij het was omdat ze de enige is die ‘eten komen’ met een h ervoor roept, op last van haar logopedist. Het ‘heten komen’ klinkt doodnormaal, zeker niet alsof ze onder schot gehouden wordt door de man van het hekje. Het is voor ons genoeg om collectief de gespannen bubbel te laten barsten. We rennen naar huis, het verhaal van de man, het hekje en het geweer voor decennia achterlatend bij het Mariabeeld.


Mierenmeent 46, Hilversumse Meent (2000)

De bel. Ik ren naar beneden vanaf mijn zolderverdieping. Ik ben net iets eerder bij de deur dan mijn hospita. Met een zwier trek ik de deur open en ik zie hem staan. Ik zou hem op zijn mond willen zoenen, maar voel de ogen van mijn hospita in mijn rug prikken. Ik draai me om naar haar, mijn lange dreads wapperen alle kanten op. ‘Dit is mijn oom’ zeg ik triomfantelijk. Ik zie hoe ze wat zuur de situatie probeert in te schatten, met haar hoogblonde suikerspin op haar hoofd. Ze kan me niks maken. In de lijst van regels die ik na het tekenen van de huurovereenkomst opeens onder mijn neus geschoven kreeg, prijkte bovenaan dat er géén vriendjes welkom zijn op mijn kamer. Maar een oom kan ze niet weigeren. Ik heb zin hem bij zijn hand te pakken en de trap op te trekken, maar hou me in en met een paar treden tussen ons in lopen we naar boven. Als mijn deur in het slot valt, voel ik direct zijn lippen in mijn nek. ‘Heeft het toch nog een voordeel dat ik een oude getrouwde man aan de haak heb geslagen’ fluister ik in zijn oor.



Hoge Naarderweg 135 Hilversum (2000-2005)

Ik weet het zeker. Ik ben dood. Of misschien ben ik aan het doodgaan. Dat zou ook nog kunnen. Ik adem dood. Ik vind het meteen ook heel aannemelijk klinken dat dit de dood is. Ik mis een aantal dimensies. Tijd is niet meer. Ruimte bestaat niet meer. Daarmee is elke andere plek dan deze voorgoed buiten mijn bereik komen te liggen. Het is niet erg. Ik ben dood en dan is er een nieuwe dimensie. Het gaat niet meer om links of rechts, voor of achter. Het gaat om iets heel anders. Ja, dit moet de dood wel zijn.

Ik lig op bed. Opgebaard. Ben verbaasd dat ze me met mijn rug naar de visite hebben gelegd. Gelukkig; ze leggen me toch nog op mijn rug, mijn handen in elkaar gevouwen onder mijn borsten. Mooi, maar ook wel meteen heel echt. Mijn huisgenoot Bart zit op de bedrand. Hij houdt mijn hand vast. Zo doe je dat als iemand dood is. Hans aait me. Ik zeg dat ik dood ben. Ze zeggen van niet. Ze zeggen dat dode mensen koud zijn en laten mij voelen hoe warm ik ben. Ik zeg dat ze de koeling onder mij aan moeten zetten.

Ik ben een beetje teleurgesteld over de opkomst. Alleen mijn huisgenoten komen kijken terwijl ik op mijn studentenkamer opgebaard lig. Ze hebben niet eens de zooi een beetje opgeruimd. Ik vind het niet netjes van mijn vader en moeder dat ze niet eens even langskomen. En waar blijft eigenlijk die dokter. Hans laat me toch niet zo sterven in zijn armen? Ik had allang een dokter gebeld. Hans zegt dat hij denkt dat het niet nodig is. En hij zegt iets over een cake die ik vanmorgen gebakken heb en nu helemaal op is. Die woorden zeggen me niks. En ik wil geen cake bij mijn uitvaart.
Nu ik dood aan het gaan ben, komt mijn leven in een flits voorbij. Dat valt tegen. Ik zie alleen maar saaie momenten. Ik word een beetje boos. Was dit het dan? En nog steeds geen dokter. Ze maken een fout, waarom geloven ze me niet als ik zeg dat ik stervende ben? Oh wacht, ze doen mijn oog open. Dit moet haast wel in het ziekenhuis zijn. Een dokter kijkt of ik dood ben. Dat ben ik. Nu is het zeker.
De begrafenis kan beginnen. Hela, ik wil wel wierook. En muziek.
Daar komt Tom Waits al. Russian Dance op de achtergrond, ik stokstijf, kist dicht.
Zand. Heel veel zand. Over mij heen.



7 Miles Mityana Road, Bulaga, Oeganda (2005)

‘Madam? It’s lunch time!’ Ik was ver weg en kijk verward op mijn horloge. Lunch time? Het is 5 uur. Dat is nog de Nederlandse tijd, denk ik. Maar zoveel uur is het verschil toch niet? Ik kom de deur uit en kijk uit over het pleintje waaraan ik vanaf nu woon. Ik zie uit alle deuren jongens verschijnen met borden. Mijn buurjongen klimt langs de muur omhoog om een vork tevoorschijn te toveren die hij daar na de vorige maaltijd verstopt heeft. Hij lacht zijn tanden bloot als hij ziet dat ik zijn tafereeltje bekijk. ‘Your forks arn’t safe here!’ waarschuwt hij met een knipoog.
De kok staat achter twee grote pannen klaar en schept met een plastic bord dat dient als opscheplepel op elk bord dat langs komt een homp witte brei en daarna een saus van bruine bonen. Ik sla het gade vanaf de veranda voor mijn deur. De zon schijnt zoals ie alleen op de evenaar schijnt, en het ruikt naar Afrika. Alles wat ik zie, ruik, voel en hoor voelt overweldigend prettig. Ik weet niet wat ik moet doen om alles zo veel mogelijk in me op te nemen. Ik heb zin om alles op te slokken, om het gulzig tot me te nemen. Met een grote grijns op mijn gezicht loop ik op blote voeten richting de kok. Ik kan me niet herinneren dat ik me ooit ergens meteen zo thuis heb gevoeld.



Cornelis Ertsenstraat 54 Hilversum (2005-2011)

‘Zet je voet maar even hier tegenaan’. De verloskundige heeft een plekje gevonden waar het precies past en leidt mijn voet naar de klerenkast die naast mijn bed staat. Mijn zus schijnt met mijn bureaulamp bij. Ik concentreer me op mijn dochter die voor het eerst op zoek is naar het goud dat uit mijn borsten komt. Heel even kijk ik op naar de verloskundige. Een half uur ervoor had ze nog een ambulance gebeld om me op te komen halen. Dat was voor mij het zetje geweest om toch nog een tandje bij te kunnen zetten. Ik wilde niet, weer, naar die vreselijke steriele ziekenhuissfeer. En nu zit ze daar met naald en draad klaar, ik vind het bijna knus, zo op mijn mini slaapkamer geklemd tussen mijn kast en bed. Nee, ik heb het allemaal niet voor elkaar zoals het hoort, we zitten hier met z’n allen op een paar vierkante meter, de vader van mijn kinderen zit 5000 kilometer verderop, maar hey i do it my way, en dat bevalt fucking goed! Laat die hechting maar komen.



Leliestraat 37 Hilversum (2011-2018)

In een prachtig karakteristiek wit Dudokpand aan de Leliestraat zit een goedlopend bedrijf.
De afdeling Logistiek houdt zich bezig met een vrij ingenieus schema waarin staat wie op welke dag op welke tijd waarheen moet.
 De afdeling Melk zorgt ervoor dat Zoë van moedermelk kan genieten. In overleg met de afdeling Logistiek zorgt deze afdeling ervoor dat de vriezer gevuld blijft met borstvoeding. Zij draagt er ook zorg voor dat er ook als het Melklichaam door verplichtingen buiten de deur ergens anders verkeert dan Zoë er alsnog melk geproduceerd wordt. Daarvoor is er geïnvesteerd in een kolf en de afdeling Logistiek kwam met een geweldig oplossing zodat er een aantal dagen per week ook live gevoed kan worden ook al is het Melklichaam buitenshuis aan de slag. In de avond is de afdeling verantwoordelijk voor het uitkoken van de kolf, het ontdooien van de melk voor de volgende dag, het labelen van de melk zodat duidelijk is welke melk ontdooid is en welke vers en het bijkolven van extra melk als de diepvriesvoorraad daar om vraagt. En op verzoek zorgt deze afdeling er natuurlijk dat Zoë live gevoed wordt, ook ’s nachts. Daarmee is deze afdeling de enige die 24/7 draait.
De afdeling Babyzaken-overig heeft het aanzienlijk rustiger, al lijkt het takenpakket een stuk breder. Het in de gaten houden van het wel en wee van een baby, plannen van bezoekjes aan consultatiebureau, bekijken of het babytje nog iets nodig heeft en zorgt dat het babytje niet constant naar uitgespuugde melk ruikt vallen allen onder de verantwoordelijkheid van deze afdeling.
De afdeling Kleuterzaken zorgt dat er ook aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van Nano. Dat er overleg is met de juf over hoe het gaat, dat er overleg is met de huisarts over dingen die niet gaan. En dat er regelmatig een spelletje gespeeld wordt, voorgelezen wordt of anderszins aandacht gegeven wordt, zodat de opmerking 'Zoë krijgt altijd alle aandacht' zo min mogelijk valt.
De Catering-afdeling houdt zich bezig met al het andere voedsel dan de moedermelk. Die zorgt dat het trommeltje van Nano gevuld is met gezonde lekkere dingen. De avond voorafgaand aan hele dagen werken kookt de Catering-afdeling alvast een maaltijd voor de volgende dag. Na 8 uur werken, kind 1 ophalen bij dagverblijf, kind 2 ophalen bij naschoolse blijft er namelijk wel heel weinig tijd over om te koken. En uiteraard eist de afdeling Melk praktisch altijd precies op dat moment dat er gevoed wordt en de afdeling Kleuterzaken dat er na een lange school- en opvangdag geluisterd wordt naar verhalen over vriendjes en fantasiewezens.
De afdeling Financiën breekt zijn hoofd over hoe een parttime baan en torenhoge rekeningen voor opvang te combineren.
De afdeling Interieurverzorging is helaas als enige nooit echt van de grond gekomen.
En wat ik dan nog de hele dag doe? Tja, geen idee eigenlijk.



Edisonstraat 31 Hilversum (2018-heden)

Jarig Jetje huilt. Tussen het snikken door zegt ze dat het de aller aller stomste verjaardag ooit is. Ze rilt. Haar turnkleren zijn door de koude februariregen doorweekt geraakt. Nog geen uur geleden stond ik trots met mijn handen in mijn zij te kijken van het aanrecht naar de klok. De bokkenpootjestaart met de chocolade acht erbovenop en de pistache-limoentaart waren af, het avondeten was klaar, de eitjes waren gevuld. En de klok gaf nog zeeën van tijd aan voordat het bezoek zou komen. Ik hoefde alleen nog maar wat laatste dingen op te ruimen, Jarig Jetje op te halen van de training en met haar een laatste taart in elkaar te draaien. Ik zag zelfs voor me dat we nog wel een spelletje konden spelen voordat haar verjaardag echt los zou barsten. Wat een heerlijk rustgevend unicum.

Het kan verkeren, dat blijkt wel. Ik moet mijn sleutelbos ergens tussen huis, supermarkt en de turnzaal verloren zijn. De reservesleutel was uiteraard de laatste keer dat er een beroep op was gedaan niet terug gelegd op zijn schuilplek. En degene die een andere reservesleutel thuis heeft liggen voor dit soort noodgevallen, is onbereikbaar. Een reconstruerend ritje langs supermarkt en turnzaal levert niet het gewenste resultaat op.

Mijn zoon staat al een tijdje op het dak van de schuur. Het is niet de eerste keer dat hij een huis van ons moet beklimmen omdat we ons hebben buitengesloten. En het is niet de eerste keer dat ik me realiseer dat dat natuurlijk eigenlijk mijn taak is maar dat het toch weer anders loopt.
Vanaf het dak van de schuur moet hij een paar stappen op de dakpannen zetten om bij het raam van zijn kamer te komen dat godzijdank op een kier staat. Hij roept naar beneden dat de dakpannen echt te los liggen om op te kunnen staan.

Ik huil niet vaak. Meestal als ik huil is het een preventieve-huil, een oh stel je toch voor dat dit of dat zou gebeuren-huil. Of een stress-huil. Ik voel nu ook tranen, van beide soort een beetje. Terwijl ik mijn zoon daar op de dakrand gadesla, zie ik hem voor mijn voeten neervallen. Mijn dochters verjaardag zal nooit meer feestelijk zijn. Of de buren bellen Bureau Jeugdzorg bij het zien van mijn zoon die aangemoedigd wordt door zijn ontaarde moeder om verder het dak op te klimmen. Uithuisplaatsing. Een gruwelijk leeg nest als een gapende wond. De kinderen een levenslang trauma omdat ze misbruikt worden door het zoveelste pleeggezin waarin ze terecht komen.

‘Er is wel iets,’ zegt mijn zoon opeens met een geheimzinnig lachje om zijn mond. Hij wacht even voor hij verder gaat, alsof hij daarmee wil aangeven dat zijn idee misschien de moeite van het vertellen niet eens waard is. Maar na een klein knikje van mij komt hij toch met zijn idee voor de proppen.
‘Er moet op mijn bureau ergens de sleutel liggen. Als ik nou een magneet koop en die aan een touw bindt…’ Hij maakt zijn zin niet af en wimpelt het idee met zijn hoofd af. ‘Laat maar, dat gaat natuurlijk nooit werken.’ Naast me staat jarig jetje, haar snikken is steeds meer veranderd in grommen. Vanwege die aller stomste verjaardag ooit. Ik vind mijn zoons idee even briljant als absurd. En ik doe niks liever dan meegaan in zijn vindingrijkheid. Zeker als het alternatief een vreselijke verjaardag in de kou is, met een aantal overheerlijke taarten onbereikbaar nog geen meter van ons vandaan. Of een slotenmaker die ons voor honderden euro’s oplicht.

Ik geef hem mijn pinpas en speur zelf met Jarig Jetje in de tussentijd nog eens de supermarkt af. Hij komt thuis met twee prachtige sterke magneten. Wij met niks. En vrij snel daarna staat hij weer op de dakrand, met in zijn hand een lasso met aan het eind de twee magneten. Hij kan vanaf de dakrand zijn bureau niet zien dus het moet op de gok. Met een flinke slingerbeweging gooit hij zijn lasso uit, zijn kamer in. Hij trekt het touw naar zich toe. Er kleeft iets aan de magneet, het hoesje van de Ipod Nano. Hij werpt nog eens, raakt iets, maar dat valt er bij het binnenhalen van de lasso vanaf. Derde poging.
‘Volgens mij heb ik hem,’ zegt hij net zo voorzichtig als dat hij zijn idee uit de doeken had gedaan. Maar als hij het touw heel langzaam naar zich toe trekt, maakt zijn voorzichtige houding steeds meer plaats voor euforie. ‘Ik heb hem, het is hem!’ Hij kijkt me heel even aan, met een glinstering in zijn ogen. En ik glinster met heel mijn lijf terug.

Jarig Jetje heeft iets langer nodig om weer te kunnen glinsteren, maar als de sleutel daadwerkelijk weer in de deur zit, nog voor het eerste bezoek is gearriveerd, verschijnt ook bij haar eindelijk weer die echte verjaardags-glans op haar gezicht. De taart heeft nog nooit zo lekker gesmaakt. En mijn zoon heeft nog nooit zo trots verteld over hoe een geniale ingeving van hem perfect uitpakte.

’s Avonds kijk ik met grote ogen op zijn kamer. Het is er echt een grote zwijnenstal. Zijn bureau staat een stuk verder van het raam af dan ik in mijn hoofd had en ligt helemaal bezaaid met zooi. Hoe hij daar in drie blinde pogingen de sleutel uit heeft weten te vissen, is me werkelijk een raadsel.

vrijdag 15 maart 2019

Dokter Steen


Hij zat er al een hele tijd, en ik wilde dat hij weg ging. Eerst was hij nog bijna onzichtbaar geweest, maar naarmate de tijd verstreek had hij steeds meer de aandacht opgeëist.
Wie Eveline is? Die ronde vrouw met die pukkel bij haar oog!
Het moest maar eens afgelopen zijn. En dus besprak ik het met mijn huisarts die mij beloofde de pukkel zonder probleem heel mooi weg te kunnen halen. Hij had het bijna gretig gezegd. Misschien omdat ie blij was dat er tussen al die rare klachten waar ik mee kwam er ook eentje gewoon lekker makkelijk op te lossen was. Piece of cake. Maar zijn assistente plande het stukje cake bij een andere dokter in. Dokter Steen. Ik wilde niet kinderachtig doen en waarom zou Dokter Steen het niet net zo mooi weg kunnen branden als mijn eigen dokter? Hij klonk als een rots in de branding. Het was een praktijk met allemaal ervaren huisartsen dus ik deed mijn best te denken dat er geen reden was aan te nemen dat alleen mijn eigen dokter dit klusje zou kunnen klaren. De assistent beaamde dat en dus zat ik op de bewuste dag in de wachtkamer te wachten tot Dokter Steen me zou komen ophalen. Een jonge, fragile vrouw deed de deur van de wachtkamer open.
  ‘Hoi, ik ben Dokter Steen, arts in opleiding.’
Ze was geen rots in de branding realiseerde ik me meteen toen ik haar slappe hand voelde.
  ‘Die ingreep heb ik nog nooit gedaan,’ deelde ze droogjes mee toen ik haar had verteld waarvoor ik kwam. ‘Maar als de assistent zegt dat ik het kan, zal het wel goedkomen.’ Met mij kwam het vanaf dat moment niet meer echt goed.
Ze zette een verdoving in mijn wenkbrauw en terwijl ze met een hand een doekje op mijn oog drukte, rommelde ze met haar andere hand in de kast die ze nét kon bereiken. Ik denk niet dat ze doorhad hoe hard ze op mijn oog duwde. En ik snapte ook niet waarom ze me niet zelf dat doekje liet vasthouden. Ze rommelde verder en kon duidelijk niet precies vinden wat ze zocht. Toen ze weer opkeek, sprak ze de bemoedigende woorden ‘Jemig, het bloedt wel echt heel erg.’ Ze liep even naar de gang, allicht op zoek naar iemand die haar kon zeggen dat ze het niet hoefde te doen als het niet goed voelde. Maar ze trof denk ik niemand, want ze was binnen een paar tellen weer terug. Ze zette wat onhandig een soort brander in elkaar en ging voor me zitten, het ding in de aanslag. Ik vroeg nog met een dun stemmetje of ze niet moest checken of de verdoving wel werkte. Die werkte volgens haar altijd heel snel. Dus dat viel dan alweer mee.
Er ging een soort diepe trilling van de pukkel door mijn neus naar mijn andere oogkas toen ze de brander aanzette. Ik riep geschrokken dat ik gewoon van alles voelde. Ze fronste even haar wenkbrauwen en vroeg of het píjn deed. Ik wist even niet of het pijn deed, het was een gevoel dat ik nog nooit gevoeld had en moeilijk onder woorden kon brengen. Maar onaangenaam was het zeker. En ook niet iets wat ik verwachtte te voelen als er verdoofd was. Ze zette de brander weer neer en liep nog eens naar de gang om wederom binnen een paar tellen weer terug te komen.
  ‘Dan moeten we er misschien nog maar een verdoving in doen.’
Ik probeerde op mijn ademhaling te letten, en mijn klamme handen te negeren. Zou ik degene moeten zijn die nu zou moeten zeggen: hey het geeft niet als je het niet wilt of kunt doen. Ik kan wel wachten tot mijn eigen dokter tijd heeft. Dan kun jij misschien gewoon eerst een keer een pukkel op iemands onderrug wegbranden voordat je je waagt aan mijn oog?
Ik weet niet precies hoe ik tot de conclusie kwam dat ik dat toch echt aan haar vond om dat te zeggen. Ik vroeg dus alleen om een glaasje water, omdat ik me echt niet zo heel lekker meer voelde. Ze was druk met de nieuwe verdoving, dus die vraag kwam voor haar even niet uit. De nieuwe verdoving hielp. Waarmee ik dus voorzichtig concludeerde dat die eerste niet had gewerkt. Kon gebeuren. Ze stond weer met de brander in de aanslag. ‘Vol goede moed’ zou ik willen zeggen, maar dat was niet wat ik zag. De rots in de branding was verworden tot een paar marginale kiezeltjes. Ik probeerde het gesprek nog open te gooien zonder uit te spreken dat ik geen vertrouwen in haar had.
  ‘Gaat het lukken?’
  ‘Als de huisarts heeft gezegd, dat het heel makkelijk is, dan zal het wel gaan lukken.’
Het gaf niet zo veel vertrouwen.
Ze begon weer met branden. De onaangename trilling was weg, ik voelde enkel mijn hoofd flink op en neer schudden door de kracht waarmee ze het ding probeerde weg te branden. Ze stopte even.
  ‘Zo makkelijk als je dokter zei dat het zou zijn, is het echt niet,’ mompelde ze. Ik denk dat ze het college over patiënten geruststellen nog niet had gevolgd.
Ze stootte met verbeten blik met de brander tegen mijn oogkas aan. Het deed me denken aan mezelf als ik met een houtboortje in een betonnen muur probeer te boren. Ik denk dat we alle twee op dit moment klamme handen hadden en de vurige wens dat de ander een eind zou maken aan de situatie door uit te spreken dat we beter konden stoppen. Maar we zwegen allebei en het gezamenlijk ellendige gevoel bij dit moment zorgde helaas niet voor een gevoel van verbintenis.
Het was uiteindelijk dokter Steen die een eind maakte aan de situatie. Ze liet een vies donker stukje vlees zien. Ik werd nog wat misselijker. Misschien wilde ze laten zien dat de martelgang de schuld was van het grillige stukje vlees, en niet van haar onkunde. Ze zag er opgelucht uit. Ik voelde me helemaal niet opgelucht. Er zat een pleister over het slagveld geplakt, maar die moest er ooit weer vanaf. Ik wankelde op mijn benen bij die gedachte en liep zonder haar te bedanken de praktijk uit.

maandag 22 oktober 2018

Stoep

Het was maar een paar meter geweest. En de stoep was vrij breed. Tuurlijk mag het niet, maar het was niet zo dat ik rakelings langs hem was gefietst. Hij had in zijn oude rood witte Citroen DS zitten knutselen toen ik hem passeerde. Ik was al twintig meter verderop toen ik opeens geschreeuw hoorde. Ik stopte en keek verbaasd om wat er gaande was. Hij was uit zijn auto gekomen, zijn vuist in de lucht. Hij riep.
   'Vieze kut!'
Overrompeld keek ik achter me, daar stond niemand. Ik keek weer naar hem. Zijn ogen spuugde vuur, zijn mond spuugde scheldwoorden.
   'Uh heeft u het tegen mij?' vroeg ik, nog steeds verbouwereerd.
   'Jazeker, klootzak!'
Wel leuk dat hij genderneutraal schold, want waarom zou ik niet ook een klootzak kunnen zijn? Toch waagde ik er nog een blik over mijn schouder aan, kijken of daar niet toch iemand anders stond waar deze scheldkanon voor bedoeld was.
   'Nee ik bedoel jou hoor,' hij hapte naar adem.
   'Vieze kut'.
Hij schuimbekte en klampte een vrouw met hoofddoek aan die langs kwam lopen.
   'Ze is een vieze kut! Een klootzak!'
Ik kon de reactie van de vrouw niet zien. Ik had ondertussen wel oogcontact met meerdere automobilisten die stapvoets langsreden en wiens aandacht door de scheldende bejaarde getrokken was. Ik keek ze aan met een vertwijfelende blik. Ik wist het ook niet, echt niet. Ik wist niet eens of het was omdat ik over de stoep had gefietst of dat ik iets anders had misdaan in de ogen van de man.
Ik was alleszins blij dat ik mijn kinderen niet bij me had, je moeder zo uitgescholden horen worden, dat moet geen pretje zijn. De scheldpartij ging ondertussen onverminderd door. Hij had niet veel variatie in zijn scheldwoorden noch in de intensiteit waarmee hij ze mijn kant op vuurde.
En opeens kreeg ik heel erg de behoefte sorry tegen hem te zeggen. Sorry dat het leven van u zo'n vreselijke boze man heeft gemaakt. Of nee, zo crue kan het leven toch niet zijn, dat het van iemand zó een vreselijk grove en bittere scheldfabriek kan maken? Daar moet Meneer Alzheimer of een van zijn vrienden achter zitten.
Sorry meneer, sorry. Echt.
Ik fietste weg, op de straat.