maandag 18 december 2017

Hans en Grietje in drie dialogen

1.
‘Heb je het al gehoord?’
‘Niet te doen he!’
‘Hoe kun je dat nou over je hart verkrijgen, je kinderen het huis uitzetten zodat je zelf meer te eten hebt!’
‘Terwijl zij er toch niet echt uit ziet alsof ze onmiddellijk omvalt van de honger.’
‘Maar ja, het zijn niet haar kinderen he. Dat is toch anders he.’
‘Ja dat zag je ook met die vrouw uit het bos in het Oosten, die had toch ook haar stiefkinderen weg gestuurd? Maar die kwamen telkens mooi weer terug!’
‘En vergeet die ene stiefmoeder niet, met die appel en die bloedmooie dochter, jaren geleden.’
‘Ja, die was zelf dan ook lelijker dan de nacht, geen wonder dat ze jaloers was op dat kind.’
‘Blijkbaar kun je alleen stiefmoeder worden als je haren op je kin hebt en een pukkelige neus.’
‘Daar vallen weduwnaars blijkbaar op.’
‘Nou dan maken wij geen schijn van kans, ha!’
‘Och die arme kinderen toch, misschien zijn ze al wel doodgevroren. Of opgevreten door een wolf.’
‘Nou, laten we die kinderen ook niet heilig verklaren. Laten we eerlijk zijn; het was een stelletje bloed-irritante kinderen.’
‘Bij de hand! Vreselijk. Zou het er geen dag mee uithouden eerlijk gezegd. Hij heeft die kinderen ook veel te veel verwend nadat hun moeder overleed.’
‘Dat is een valkuil he. Denken dat die kinderen dan zielig zijn en dat je niet meer boos op ze mag worden.’
‘Ja, en je ziet wat er van komt. Hij heeft ze er geen dienst mee bewezen.’
‘Maar ja, ook geen man met ruggengraat he. Je ziet wel wie daar de broek aan heeft.’
‘Zit tot over zijn oren onder de plak.’
‘Mag de naam kerel niet eens dragen eigenlijk he.’
‘Arme Lia, ze zou zich in haar graf omdraaien als ze zou zien wat er allemaal gaande is.’
‘Nou over de doden natuurlijk niks dan goeds. Maar over Lia heb ik ook wel eens gehoord dat ze het bijltje er wel heel snel bij heeft neergegooid.’
‘Je hebt gelijk. Dat heb ik ook wel eens gedacht...echt gestreden heeft ze niet he, om haar ziekte te verslaan.’
‘Je zou van een goede moeder toch wat meer verwachten.’
‘En je ziet nu wat er uiteindelijk van komt. Het hele dorp al weer dagen in rep en roer...’

2.
   ‘Naam?’ hij klonk niet bepaald vriendelijk.
   ‘Margreet Bos,’ haar stem kraakte nog steeds, concludeerde ze teleurgesteld.
   ‘Overleden aan?’
   ‘Een longembolie, denk ik.’ Ze had zich dit gesprekje wat zachter voorgesteld, het leek wel een kruisverhoor. En het irriteerde haar dat ze hem amper kon zien door het enorme witte licht waarin hij stond. Enkel door de contouren van zijn indrukwekkende baard, durfde ze te conculderen dat dit dan wel Petrus zou moeten zijn.
   ‘Wat doe je hier? Ik zie alleen maar narigheid. Ik zie geen liefde. Ik zie zelfs alleen maar haat.’
   ‘Ik heb weinig liefde ontvangen ja,’ snauwde ze.
   ‘Ik heb het over geven mevrouw Bos. Liefde geven. Vertel wat je met je stiefkinderen hebt gedaan?’
Margreet voelde een driftbui opkomen. Het zou toch niet waarwezen dat haar stiefkinderen haar nu de weg naar de hemel zouden afnemen? Ze hadden haar bij leven al genoeg ellende gebracht. Ze probeerde kalm te blijven. Dat was haar laatste redmiddel. En het was nu alles of niets, dat snapte ze ook wel.
   ‘Ik heb ze naar het bos gestuurd in de hoop dat ze daar eten zouden vinden om te kunnen overleven,’ zei ze met haar liefste stem.
Petrus bleef even stil.
   ‘Ik heb twijfels over uw motief mevrouw Bos. Barmhartigheid is een woord dat niet in uw vocabulaire voorkomt, volgens mij.’
   ‘Nou meneer, als ik zo slim zou zijn dat ik zulke moeilijke woorden zou kunnen gebruiken, was ik echt niet met zo’n armoedig houthakker met twee etterkinderen getrouwd.’ He, had ze zich toch weer laten gaan.
Petrus zette een stap naar voren waardoor ze hem voor het eerst in de ogen kon kijken.
   ‘De poort blijft dicht mevrouw,’ sprak hij plechtig. Hij wees haar enkel met een armgebaar de weg naar de andere poort.
Als ze nog voeten had gehad, was ze nu stampvoetend weggestoven. Ze kon niet anders dan geruisloos haar ondergang tegemoet gaan. Tot haar verbazing riep Petrus haar nog na.
   ‘Mevrouw Bos. Zegt u eens eerlijk, dacht u nu echt dat ik de poort voor u zou openen?’

3
   ‘Wat doet dit met jou?’
Hans keek op terwijl hij één wenkbrouw omhoog trok. Vroeg hij dat nou echt? De psych zat schuin voor hem, hij had de vingertoppen van zijn linkerhand tegen die van zijn rechterhand aan gedrukt en maakte er onophoudelijk kleine pulserende bewegingen mee. Te cliché. De doos met tissues op de tafel; check. Hans voelde zijn mondhoeken licht omhoog krullen. Het was allemaal natuurlijk helemaal niet grappig, maar zoveel clichés op een hoopje, daar kon hij de humor wel van inzien. Jammer dat hij niet op een sofa lag eigenlijk.
   ‘Hoe voel je je daarbij?’ de psych deed nog een poging.
   ‘Ja jezus, hoe ik me daarbij voel? Kut natuurlijk. God, ik gun het mijn zus echt. Haar vent is top, en dat verdient ze. En ik ben echt trots als ze weer in een programma haar nieuwe boek mag promoten en iedereen vol lof over haar werk praat. Echt. ‘
Hij zag de psych een bemoedigend knikje geven. Zucht, dat soort signalen werkten altijd averechts bij hem. Maar ja, hij zat hier nou toch. Nu moest hij doorpakken. Niet kijken naar de pulserende vingers, of de tissues op tafel.
   ‘Maar het is natuurlijk wel bizar. Ik bedoel, uh, we komen uit het zelfde nest, hebben dezelfde geschiedenis. En dat het haar dan sterker heeft gemaakt en ik er als zwak wezen uitgekomen ben, dat voelt vrij kut ja.’ Hij friemelde aan het kettinkje met het kiezelsteentje eraan dat om zijn nek hing.
Weer dat begrijpende knikje van de psych.
   ‘En wat maakt dat jij het idee hebt dat jij zwak bent?’
   ‘Jezus gast, heb je mijn dossier niet gelezen? Ik ga al jaren kliniek in en uit. Kijk naar mijn lijf. Ik weeg 52 kilo! Ik heb nog nooit een relatie gehad die langer duurde dan het orgasme. Ik ben niet achterlijk, das niet de biografie van een sterk persoon...’
   ‘Ik merk dat je boos wordt.’
Scherpe analyse, dacht Hans cynisch. Dat cynisme maakte hem nog bozer, het zat hem behoorlijk in de weg. Heerlijk moest dat zijn, als je zo’n gesprek zonder blikken of blozen gewoon serieus zou kunnen voeren. Goed, nieuwe poging. Ah, de psych was hem al voor.
   ‘Kun je proberen te beschrijven wat je precies zo boos maakt?’
Hans bleef even zwijgend naar de wiebelende schoen van de psych kijken.

   ‘Weet je, ze had ervoor kunnen zorgen dat ik me niet zo eenzaam had gevoeld met mijn verleden. Ik weet dat onze geschiedenis absurd is. Zij is de enige met wie ik dat zou kunnen delen.’ Zowaar voelde zijn strot verdomd stroef en opgezwollen aan opeens. Natte ogen. Voorzichtig keek Hans op. Als de psych maar niet... Toch wel.... Hij zag de hand van hem al naar de doos met tissues gaan en met een subtiel gebaar zijn kant op schuiven. Ja doei. Er waren grenzen. Zijn ogen waren op slag droog, zijn keel soepel. Tijd om weg te wezen!


Opdracht: schrijf jouw versie van Hans en Grietje. Het was de laatste opdracht. Maar in januari begin ik vrolijk aan de vervolgcursus, heb de smaak te pakken.