donderdag 27 december 2007

wat plaatjes kunnen nooit kwaad





Bad Manners

Daar zit je dan met je twee jaar lang de ontzettend goede ouder uithangen. 3 weken Oeganda en je bent weer terug bij af...

Zo hebben we:

Bad Manners

Daar zit je dan met je twee jaar lang de ontzettend goede ouder uithangen. 3 weken Oeganda en je bent weer terug bij af...

Zo hebben we:

Nano’s speen.
Die gebruikt ie nu ook weer overdag.
Reden: In Oeganda houden ze niet van huilende kinderen. De Oegandezen zelf houden hun kroost stil met slaan of met geschreeuw, ik prefereer in dit geval de speen.
Maar: geen gemaar, behalve dat ik um alweer aan het afleren ben, het staat namelijk echt stom op foto’s J

Mamma’s bed.
Dat is nu ook Nano’s bed.
Reden: Van zijn helemaal meegesleepte bedje moet meneer vanaf nacht 1 al niks weten. Daarbij past het ook op negen van de tien inimini kamers waar we slapen niet.
Maar: het is wel heeeel erg lief eigenlijk; die armpjes om je nek, dat gesabbel aan je neus, dat gekriebel op je rug en dat heerlijke geluid van je slapende kind zo vlak bij je. Het is weer eens zo’n moment dat ook ik niet aan dat vreselijke gevoel van onophoudende liefde voor zoonlief ontkom. Minder is het als je net te kampen hebt met de ergste diaree-aanval ever (Merry Christmas!), en zoonlief de tien keer dat je uit je bed sprint om naar buiten te rennen om een meter of vijftig verderop boven een gat in de grond te gaan hangen, niet genoeg vindt, en je dus nog af en toe een extra trap geeft in je maag.
Maar2: Wie weet zijn we nu eindelijk af van die idiote gewoonte van meneer dat ie het vertikt als we ergens logeren om met mij een kamer te delen.

Nano’s bedtijd ritueel.
Daar ligt mamma nu naast.
Reden: In Oeganda houden ze niet van huilende kinderen. De Oegandezen zelf houden hun kroost stil met slaan of met geschreeuw, ik prefereer in dit geval mijn gezelschap om meneer in slaap te sussen.
Maar: geen gemaar, dit moet snel afgelopen zijn als we thuis zijn. Ik zie mezelf al opgevouwen in zijn ledikantje liggen...

Sweet memories to Uganda.
Snoep en andere ongezonder troep.
Reden: Je ontkomt er niet aan. Toen we hier de vorige keer waren, dacht ik nog dat het een grapje was toen nano bij zijn doop van menigeen een lolly kreeg. Niks bleek minder waar. Je hoeft je hoofd maar om te draaien of er zit een snoepje of lolly in. En meneer pikt het ook niet meer als jan en alleman om zich heen zich te buiten gaan aan allerlei lekker en hij niet mag van zijn mammie omdat die zo nodig vindt dat meneer ook nog wel kan genieten van een stuk komkommer zolang ie geen weet heeft van wat voor slechts doch lekkers er allemaal te koop is in de wereld.
Maar: genoten heeft ie.

Prik met een rietje.
Ook dat is een feit.
Reden: daar zit je dan, warmte waar je U tegen zegt, een kind dat roept ‘ drinken drinken’, een land waar ze aan sapjes niet echt doen, en een bar waar dus alleen maar ‘soda’s’ te koop zijn. En een stem in mijn hoofd die roept: ‘ laat je kind genoeg drinken, laat je kind genoeg drinken’. Verkocht.
Maar: hij had ten minste geen dorst meer.

Nano’s zin.
Die krijgt ie opvallend vaker dan normaal.
Reden: Ergens diep in me geloof ik dat ik het gevoel heb dat ie wat tegoed van me heeft omdat ik um helemaal naar dit land heb gesleept (geheel onterecht overigens, denk ik, want meneer geniet erg van alles, en op zijn paar zieke dagen na, gaat ie erg goed gemutst en breedlachend door het Oegandese leven), en ik denk snel als ie dreint of zo dat dat vast is omdat het hier allemaal zo anders is voor hem hier.
Maar: uh, het is lekker makkelijk zo...en straks ga ik weer opvoeden.

Al met al heb ik eindelijk eens een rijtje met goede voornemens om in 2008 mee aan de slag te gaan.

Verkeer(d)

Het is voor een moeder uit een land waar je door je college-ouders zonder twijfel aan de schandpaal wordt genageld als je je kind zonder autostoeltje naar de buren rijdt, nogal wat om rond te reizen in een land waar de kinderen meestal half uit het autoraam hangen, achterop een truck tussen de zakken bonen vervoerd worden, voorop een motor zitten terwijl ze amper zelfstandig kunnen zitten, of met 20 kinderen vervoerd worden in een auto die eigenlijk gemaakt is voor een stuk of vier personen. Het is toch best nog een moeilijke afweging: waarom zou mijn kind zoveel meer waard zijn/beter zijn dat hij niet op dezelfde manier vervoerd wordt als het gros van de kinderen dat op deze aarde rondloopt? Van de andere kant: wat als ik kan voorkomen dat ie bij een ongeval vreselijk verminkt raakt, of komt te overlijden? Gelukkig vergemakkelijkt de afstand die ik heb genomen van het backpackersbestaan mijn keuze, en geef ik dus –zelfs voor nederlandse begrippen- astronomische bedragen uit om van de ene kant van het land met een prive-driver en soms zelfs het enige autostoeltje van Oeganda voor mijn eigen prins vervoerd te worden naar de andere kant van het land. Ik voel me een soort minister als het land aan me voorbij trekt terwijl ik niet met opgetrokken knieen, kakelende kippen en zwetende oksels van vreemden in mijn neus, rustig een krantje of boek lees. Naast me kijkt mijn zoon zijn ogen uit als we een grote stad binnenrijden en talloze overladen taxibusjes en andere vervoersmiddelen ons stapvoets passeren. Een bende aan voetgangers en fietsers met de meest uiteenlopende vrachten op hun bagagedrager of hoofd gebonden riskeren hun leven door tussen het drukke verkeer door te manouvreren. Verlaten we de stad dan laat mijn zoon zich graag in slaap sussen bij het zicht op prachtige landschappen en door het gehobbel van de slechte wegen.
Mijn driver vervoerde me op een dag naar een ferry die me naar een van de paradijselijke plekken van Oeganda zou varen. Uiteraard vroeg meneer de driver op het laatst nog even een 20% extra dan de afgesproken prijs, en vraag ik me hardop als een soort Carice van Houten af of het nou nooit ophoudt.
Toen de ferry mij, mijn prins en mijn Oegandese vrienden over het Victoriameer had geholpen, was ik ineens als een echte backpacker weer overgeleverd aan het normale vervoer. Ik propte mezelf, mijn prins, mijn Oegandese vrienden, en mijn bergen vol bagage in een taxibusje. Toen ik eenmaal zat, mijn zoon op mijn schoot, mijn bil op het bovenbeen van mijn buurvrouw, merkte ik dat ik niet de enige was die in deze taxi plaats had genomen. Terwijl er boven de driver met verf was geschreven dat er 15 personen vervoerd konden worden, kwam ik al snel tot 25 man, waarvan een deel kinderen.
De driver tutert boos naar een taxibusje dat voor ons stil staat op de weg. Met enig gemanouvreer rijdt ie door de greppel om het busje in te halen. Ik kijk uit het raampje en zie in een flits een bodaboda (brommer-taxi) liggen, twee benen liggen roerloos om de bodaboda geklemd. In een reflex scherm ik mijn prins’ ogen af –is het toch nog helemaal goed gekomen met dat moedrinstinct van me- draai mijn eigen hoofd ook de andere kant op en terwijl alle andere 24 passagiers over elkaar hangen om te zien hoe de bodabodarijder met bloed spuitend uit zijn gezicht zijn laatste adem uitblaast, denk ik vanzelf terug aan een week geleden. Toen ik ongevraagd getuige was van een vreselijk ongeval. Recht voor mijn neus werd een bodaboda geramd door een taxibusje. De bodaboda vloog met een behoorlijke snelheid over de straat heen. De passagiers rolden over de straat. Ik schrok, maar mijn hart kromp pas echt ineen toen ik zag dat er een klein babytje, een paar maand oud, een eindje verder op de straat terecht kwam. De moeder strompelde naar haar toe, en terwijl mijn maag helemaal samentrok, zag ik haar haar kind optillen. Wat voor haar niet zichtbaar was, was een beeld dat mij nog dagen lang ’s nacht heeft wakkergehouden. Het achterhoofdje van het kindje. Of dat wat daarvan over was.
Had ik er nooit echt over getwijfeld, vanaf dat moment was het voor mij in een klap helemaal duidelijk: ik ga nooit of te nimmer met mijn zoon op een boda-boda zitten, hoezeer de infrastructuur van Oeganda ook gebouwd is op dit vervoersmiddel. Ik loop wel kilometers met zoonlief op mijn rug, alles liever dan dit risico lopen.
Intussen reed de taxibus alweer vrolijk verder. En mijn zoon, die sliep lekker door, zijn hoofd steunend op mijn buurvrouw, zijn voeten leunend op een doos met kippen. Hem zal het allemaal worst zijn hoe ie vervoerd wordt, als er maar bobbels in de weg zitten die hem in slaap sussen.


(noot: om dit bericht te posten heb ik vorige week anderhalve mijl met mijn zoon op mijn rug een heuvel opgelopen om er uiteraard achter te komen dat er geen power was. Ook net op bijna het heetst van de dag met nano op mijn rug door een uberhete en drukke stad gesleept. het is wat, leven zonder boda boda)
een van de mooie landschappen die nano in slaap sussen, vlakbij Kabale, Zuid Oeganda

zaterdag 22 december 2007

het medicijntasje en nano

(voor de tweede keer, want opeens viel de stromm uit, grom grom)

hoe dol moeder ook op haar medicijnentasje is, mijn zoon -nano: ik heb vast wel eens over hem verteld- heeft een gruwelijke hekel aan het ding. De gestreepte stof hoeft maar te verschijnen tussen de kleren in mijn koffer, of nano zet het al op een brullen en begint te stampvoeten. Oorzaak? Nano's moeder wilde per se op vakatnie naar een land waar de malariamug veevuldig huishoudt. Dus dient nano elke dag anti-malaria-spul tot zich te nemen. ' Je zegt gewoon tegen hem da het een snioepje is, dan neemt ie het vast zonder problemen' zei de apotheker nog opgewekt tegen me. Haha. Mijn zoon weet neit wat snoepjes zijn, wel weet ie dat ie totaal niet zit te wachten op een ranzig bitter pilletje. Dus is het elke dag een martelgang van een paar uurom dat ding naar binnen te krijgen. Inmiddels hebben we door het gebruik van een spuitje, zonder naald uiteraard, de martelgang weten te beperken tot een paar minuten, maar de tranen die erom vloeien zijn helaas niet minder geworden...

Uiteraard gebeurde ook het onvermijdelijke: nano werd -na vrolijk met alle kinderen in the village zijn speelgoed te hebben gedeeld, net als zijn koekjes, en het prut onder hun nagels en en en- ziek. Terwijl we recht op de evenaar een pauze hielden, sloeg zijn termometer 39.8 uit. Uiteraard viel meteen het M-woord, maar wijs geworden door mijn ervaring afgelopen jaar, en met hulp van deze of gene ontzettend ervaren nederlandse oegandees die al meerde malen aan den lijve van haar mooie kinderen heeft ondervonden hoe oegandesen altijd alles op malaria gooien, kregwen we er toch de juiste diagnose uit: een bacteriele infecte. En dus kwamen we het hospital uit met vier flesjes medicijnen die elk om de 6 uur het lichaam van mijn zoon moesten zien binnen gewerkt te worden. Een groot feest. Vooral omdat de oegandezen het nodig vinden van alles aan de medicijnen toe te voegen om het maar 'leuk' eruit te laten zien en te laten ruiken en smaken, maar waardoor het voor mijn, en mijn zoons, zintuigen een grote chemische vergifzooi leek. De martelgang van dat ene malariapilletje per dag werd dus enorm uitgebreid, zijn huilen moet tot in het dorp verder te horen zijn geweest. En mijn tranen liepen onophoudelijk bij het, met heel veel kracht, toedienen van al die troep, wat deed ik mijn zoon toch aan????
Inmiddels is meneer met behulp van hetchemische vergif, de frisse lucht aan een geweldig mooi lake, en de goede zorgen van bovengenoemde nederlandse oegandees (en van zijn moeder natuurlijk ook, want zo slecht bedoelde ze het allemaal niet) weer netjes helemaal de oude. Hij geniet volop, en hoeft niet meer bang te zijn voor het medicijnzakje; die heeft het namelijk begeven nadat het arsenaal aan medicijnen ineens zo werd uitgebreid...

zondag 16 december 2007

benidorm

Hoe naief kun je zijn? dacht ik even met mijn trolley en mijn geboekte hostelkamer en geregelde taxi een soort benidormreis te gaan maken waarbij alles van een lijen dakje zou lopen.

Na een reis die volledig volgens het boekje verliep (mijn eigen prins had een hele stoel voor zichzelf, waardoor alle cadeautjes en dvd's in mijn tas bleven en ik zelf 'alles is liefde' heb kunnen kijken en een nieuw record tetris heb weten te vestigen) kwam ik aan in een entebbe. We werden niet verwelkomd door een bordje met onze naam , maar door een enorme regenbui en onweer waar je u tegen zegt (en nano zegt daar dan lamp tegen). Oke, mijn taxi was er dus niet...Na een tijdje ronddwalen en taxichauffeurs van me af te slaan, mijn onderhandelingskunde maar eens uit de rugzak gehaald, en voor een heel aardig prijsje zat ik na een tijdje dan toch in een auto, op weg naar onze gereserveerde kamer.
'backpackers hostel' stond er opeens op de muur. hadden die knakkers hun naam veranderd, kwam ik daar met mijn trolley aanzetten, sliep ik nog tussen de stinkende backpackers. Ik dacht alleszins dat ik zou gaan slapen, echter: de door mijn gereserveerde kamer was locked, de sleutels nergens te vinden. Zelfs nano's magische sleutels die in het vliegtuig elk geheim gat hadden weten te openen, kregen de deur niet open. Mooi weer, een reserveerde taxi, een gereserveerde kamer in een hostel, het was me allemaal niet gegund, blijkbaar zie ik er met nano op mijn rug toch nog te veel uit als een backpacker...
Gelukkig is flex nog steeds mijn middlename (en komen mailtjes gericht naar flex1.beeld@tros bij mij terecht) en zo kwam het dat ik met een hardlachende nano alle reuzesprinkhanen uit ons muskietennet haalde, terwijl naast mij een zweedse backpacker in slaap viel, en een kamer verder iemand luid genoot van het lichaam van een oegandees...

Och het is zo slecht nog niet toch nog een beetje een backpacker te zijn!

zaterdag 8 december 2007

medicijnzakjes en backpackers


Een paar uur voordat ik word opgepikt, zit ik redelijk rustig een lapje te naaien op mijn medicijnzakje. Een zakje dat járen geleden al door mijn ouders werd meegenomen op hun reis naar India, en aan de stiksels te zien heeft een van hen het zelf in elkaar gezet toendertijd. Enige reparatie is na al die jaren en al die reizen wel nodig, dus ben ik in de laatste uren thuis met draad en naald in de weer.

Dat had vroeger natuurlijk nooit gekund; toen moest ik op het laatste moment mijn hele tas nog inpakken. Mijn backpack, die ik dit jaar voor het eerst heb ingeruild voor een trolley (en een rugdrager en een bedje en een handbagagetas en een rugzakje voor nano...woej, wat is het toch leuk met een kind te reizen...!). Daarmee ben ik vanaf nu vast ook geen backpacker meer...Laat staan die stoere backpacker die altijd vol trots met een inimini backpack de minste kilo's uit de bagageweegschaal wist te krijgen. Die zich geen minuut zorgen maakte over de vlucht (en dus niet tig keer aan de telefoon hing met klm met vragen over kindervoeding, vrije stoelen, in te checken rugdragers enzovoort enzovoort). Die geen vliegangst had en zelfs met een lichaam nog half in de roes van het feestje de avond ervoor, vrolijk het vliegtuig uit sprong (terwijl ik nu al ongeveer 150 keer bedacht heb dat ik het toch wel echt heel jammer zou vinden als het vliegtuig neer zou storten) . Die alle adviesen over veiligheid, inhoud van medicijntasje en wel en niet te eten voedsel aan haar laars lapte. Die het voor mietjes vond om van te voren een hotel of hostel te boeken voor de eerste nacht...


Nee ik moet eerlijk zijn:


Ik ben geen backpacker meer.



Terwijl ik de laatste steekjes aan het medicijnzakje naai, zie ik in mijn gedachten Nano over een jaar of 14 met een backpack op zijn rug, vol spanning over zijn eerste reis alleen naar het land van zijn vader, aan zijn moeder vragen of ze alsjeblieft op het laatste moment nog een lapje wil naaien over een gat in het medicijnzakje dat zijn opa en oma ooit nog mee naar India hadden genomen. Dan heb ik met deze reis mijn doel bereikt en is tevens het backpackerstokje doorgegeven...Komt alles toch nog goed!