donderdag 29 januari 2015

Koffie bij die Appie

Een koffiehoek bij de Albert Heijn. Een tafeltje met kuipjes melk, suiker, roerstaafjes. Een uitnodigend bord dat je welkom bent een gratis kopje koffie te drinken. Een klein bankje of wat stoeltjes. En mensen, mensen die er zitten en een kopje koffie drinken.
Ik heb die mensen nooit gezien. Niet echt. Ergens in mijn ooghoek allicht. Of op de achtergrond, totaal out of focus, omdat de focus ligt bij de boodschappen die gedaan moeten worden, de klok die tikt omdat de kinderen zo opgehaald moeten worden of bijhouden of mijn kinderen met de handscanner wel alle boodschappen scannen.

Nu zie ik ze wel. De mensen die koffie drinken bij de Albert Heijn. Dat zijn niet zomaar klanten die, met iets minder tijdsdruk dan ik, tijdens de boodschappen besluiten even een bakkie te doen. Nee, dat zijn veelal mensen die speciaal voor dat bakje koffie naar de Albert Heijn gaan. Hoewel, dat bakkie is niet de reden dat ze vaak dagelijks naar de koffiecorner gaan. Het zijn de mede-koffiedrinkers die ze keer op keer weer treffen bij hun eigen Appie. Mensen die de setting van tl-licht, blikken soep en vakkenvullers opzoeken om daar gezelligheid te vinden. Tussen al die haastige mensen die zo snel mogelijk de route door de supermarkt afleggen, blijven zij in alle rust zitten. Ze schenken koffie in voor elkaar, kijken naar de massa consumenten waar zij geen deel van uit lijken te maken. Zij vormen een cultuur op zich. Ze hebben daar bij de koffiehoek vriendschappen opgebouwd, praten over ditjes en datjes. Elke dag weer. Als er iemand een tijdje niet komt, valt het op, wordt er over gesproken.

Ik zie ze zitten, elke dag sinds ik na 5 december 2014 in de Albert Heijn kom. De Albert Heijn in Sittard mist op die dag één van hun vaste koffiedrinkers. De man die altijd zo vriendelijk was voor de hele groep koffie in te schenken, daar stond hij om bekend. Ze wisten dat hij aan zijn hand was geopereerd, ze hebben hem nog gewaarschuwd: artsen kun je niet vertrouwen, narcoses ook niet. En toen kwam hij niet meer terug. De mensen van de koffiehoek hadden één van hun leden verloren.

Toen mijn broer stierf, kwam de subcultuur van de koffiedrinkende mensen al snel boven tafel. Wie moesten we op de hoogte stellen van zijn overlijden, in welke kringen bevond hij zich? Zijn vriendin vertelde dat veel mensen moeilijk te bereiken waren omdat mijn broer de meeste van de straat kende, én van het koffiedrinken bij de Albert Heijn. Het fascineerde me meteen, die voor mij onbekende wereld waar mijn broer blijkbaar een belangrijke rol speelde. En ik besefte ook meteen dat het me waarschijnlijk niet had gefascineerd als ik toen hij nog in leven was, had gehoord dat mijn broer dagelijks bij de Appie koffiedrinkt. Maar nu hij er niet meer was, werd het zo'n mooi gegeven.

Het werd nog mooier toen ik een paar dagen na zijn overlijden alleen met hem in de kamer was. Er werd aangebeld. Een Indonesische familie kwam binnen: een echtpaar van 70 jaar, een iets oudere zus van de dame, en de zoon. Bij het binnentreden van mijn broers kamer, zakte de oude man meteen op zijn knieën naast mijn broer op de grond, zijn handen gevouwen de lucht in. Hij bad in een voor mij onverstaanbare taal, afgewisseld met wat woordjes Nederlands en veelvuldig roepen van mijn broers naam. De dame bleef van een afstandje staan kijken en begon te jammeren, non stop. Ik werd overrompeld door dit bezoek. Ik had geen idee wie deze mensen waren, maar ze waren blijkbaar erg onder de indruk van het overlijden van mijn broer, en de wijze waarop ze dit uitten ontroerde me.
Toen vader op zijn knieën naast mijn broer bleef zitten, zijn handen nog in bidstand, maar niet meer hardop biddend, en moeder bleef jammeren maar dat steeds meer binnensmonds deed, besloot ik mijn nieuwsgierigheid achterna te gaan en te vragen waar ze mijn broer van kenden.

Deze prachtige ontmoeting had ik te danken aan de koffiecorner van de Albert Heijn. Vol passie vertelden ze hoe ze mijn broer bijna dagelijks daar troffen. Dat hij altijd degene was die zo aardig was ook voor anderen koffie in te schenken. Ze vertelden over welke mensen er bij elkaar kwamen ('heel veel net te dikke mensen' typeerde de zoon zijn eigen subcultuur op verrassende wijze) en hoe er over van alles en nog wat gepraat werd. Als er verteld werd hoe mijn broer zich in die koffiecorner gedroeg, zwol het gejammer van de vrouw weer aan, en hief de vader zijn handen weer in de lucht.


Als ik nu langs een koffiehoekje in de Albert Heijn kom, dan zie ik ze. De geheime subcultuur waar mijn broer deel van uit maakte, waar mijn broer van genoot, waar hij werd gewaardeerd. Het zijn een soort altaartjes geworden die achter me aan reizen. Als er plek voor was, had ik in elke koffiehoek een kaarsje aangestoken. Een kaarsje voor mijn broer, die een van die onzichtbare mensen was. In plaats van een kaarsje aansteken knik ik nu vriendelijk naar de mensen die er koffiedrinken.

Ik zie ze.