donderdag 19 maart 2009

nachigulli deel 2


Het afgelopen jaar is me regelmatig gevraagd of ik wist hoe het met Nachigulli ging, het meisje dat zo'n bijzondere band met Nano had en dat 2 dagen voor wij Afrika verlieten door een auto werd aangereden. Ik wist het antwoord nooit. Moest afgaan op de berichtgeving uit Oeganda. En het bericht uit Oeganda was, dat het goed met haar ging. Maar in datzelfde Oeganda werd Nachigulli een jaar geleden teruggebracht uit het ziekenhuis, lag ze totaal in shock op de bank, en werd ook door iedereen gezegd dat het goed met haar ging, ondanks dat haar lichaam, haar ogen iets héél anders zeiden. Dus.

Ik had me verheugd op het weerzien tussen Nachigulli en Nano. Ze hadden het afgelopen jaar een aantal keren gebeld, enkel elkaars namen zeggend. Nachigulli lachte, Nano straalde.

Het weerzien was anders dan verwacht. Nachigulli viel in haar mooiste jurk Nano om de nek, maar Nano was meer geïnteresseerd in Dion.

Op Nachigulli's voorhoofd zit een litteken. Van dé dag. Als ze lang in de zon is geweest wordt ze tijdelijk gek. Dan gilt ze dat ze last van haar hoofd heeft. En dan krijgt ze een pilletje. En dan gaat het weer goed met Nachigulli. Nou ja, goed. Ik heb haar stralende lach echter maar weinig gezien. Meestal was ze stil, als ze er al was. want Nachigulli is 10, en in Nederland betekent dat een heerlijk leven met school, clubjes, vriendjes en vriendinnetjes. In Oeganda betekent dat tot 5 uur blokken op school en daarna een huishouden runnen, water halen, koken, wassen, schoonmaken. Heeft Nachigulli het even gehad na een stomme dag op school en mokt ze wat over het werk dat ze daarna thuis nog moet doen, dan krijgt ze een ferme klap in haar gezicht. En ik kijk toe, met een knoop in mijn maag.
Ik blijf het een van de confronterendste dingen van Afrika vinden; het verschil in hoe kinderen opgroeien.
Nano's leeftijdsgenootjes slepen al met water, lopen alleen door het dorp, knielen voor volwassenen, zijn gehoorzaam en gaan slapen zonder te mokken, zijn niet nieuwsgierig,vragen niks, want dat is not done.
Nano vraagt me de kleren van het lijf, (ik denk dat ik zonder overdrijven elke dag minimaal 30 keer 'waarom' heb gehoord) uit zijn gevoel, zegt als ie dingen niet leuk vindt, krijgt begrip als ie worstelt met zichzelf of zijn omgeving, wil soms uit luiigheid gedragen worden, wordt boos als ie te weinig drinken krijgt, of in de verkeerde beker.
Misschien heeft Nachigulli een leeftijd dat ze dat verschil aanvoelt. In ieder geval heeft ze de leeftijd dat het taalverschil, waar nano's leeftijdsgenootjes zich amper bewust van lijken te zijn, voor haar in de weg zit. En dus kijkt ze die paar momenten dat ze in de buurt is bijna jaloers toe hoe de jonge kinderen met Nano spelen zoals zij dat vorig jaar ook nog deed.

Nu heb ik dus zelf gezien hoe het met Nachigulli gaat, maar ik durf niet te zeggen of het goed met haar gaat of niet. Wel weet ik inmiddels zeker -en helaas eindig ik mijn blogs van deze reis met een enorm cliche, waarvoor mijn excuses- dat het leven van een tienjarig meisje in Oeganda echt niet over rozen gaat...



(de blogjes van afgelopen maand heb ik thuis een beetje opgeleukt met foto's en zelfs een enkel filmpje, voor de liefhebber.)

dinsdag 17 maart 2009

Nano spreekt op de evenaar deel 3

Het hoogtepunt van Nano's kou moest nog komen toen ik het blogje erover schreef.
'Mama, als we straks naar Nederland gaan, kunnen we lekker weer de verwarming aan he!'

Voor onze auto loopt een prachtige lizard. Ik vraag aan Nano: 'Wie is dat?'
'Dat is mijn vriend!'

Nano analyseert de dag dat hij ziek was in Oeganda:
'Misschien had ik wel te weinig televisie gekeken.'

Halverwege de reis, bij het zien van een ontzettend onsmakelijke 'toilet'
'Laat maar mama, ik poep wel weer in Nederland'

Nano kan er maar niet aan wennen dat ze in Oeganda de gewoonte hebben iedereen onder de pak-um-beet vijf aan te spreken met Baby. Dus klinkt het minimaal 10 keer per dag, op zéér boze toon:
'IK BEN GÉÉN BABY!!!'


Op de laatste dag bekijk ik hoe Nano vol overgave met zijn Oegandese vriendjes speelt. Net als vorig jaar heeft hij weer vrienden waar hij ontzettend van geniet, waar hij gearmd mee door het dorp wandelt, waar hij zelfs als we een dagje weg zijn, chappatti's voor bewaart. Ietwat bang dat hij ze wel heel erg zal gaan missen, zeg ik: 'Das jammer he, vanaf morgen kun je niet meer met je vriendjes spelen'.
'Das toch niet erg, in Nederland heb ik ook vriendjes, hoor.'

's Avonds voor het slapengaan, klinkt het nu (en ook hier 6365 kilometer van de evenaar af) elke avond:
'slaap lekker, goodnight, see you soon en sula bulungi'
mijn globetrottertje....

met kop en schouders...













dinsdag 10 maart 2009

luxe in oeganda

Nano en ik hebben een uitrustdagje. Niet dat we het nodig hebben om uit te rusten want we hebben net een aantal dagen mogen uitrusten op het paradijselijke landgoed van een Nederlandse vriendin en haar drie Nano-look-alikes. Maar we moeten een middag overbruggen in een stad waar weinig te beleven is. En dus belanden we in een luxe hotel waar we gebruik maken van het buitenzwembad.
En dus leer ik Nano zwemmen met zijn vleugeltjes om. Maak ik handstanden onder water terwijl hij mijn benen probeert te vangen. Smeert hij mijn rug in met grote klodders zonnenbrand om te voorkomen dat ik weer helemaal verbrand. Kijk ik naar hem hoe hij smikkelend van een groot bord frietjes geniet. En valt hij in slaap tussen mijn benen in, mijn bovenbeen gebruikend als een kussentje, en uiteraard een handdoek om zich heen omdat meneer het koud heeft. En terwijl mijn zoon daar zo ligt te slapen en ik uitkijk over het blauwe zwembad, bedenk ik me dat het niet veel verschilt van een vakantie in Spanje. En dat dat helemaal zo slecht nog niet is.

Maar als ik aan het eind van de dag met mijn zoon in een shared car stap, een gewone personen auto waarbij er op de achterbank naast nano en mij nog vier andere mensen plaatsnemen, en we rijden tussen de tuterende vrachtauto’s volgeladen met matoke, ben ik toch ontzettend blij dat dat zwembad in Oeganda ligt en niet in Spanje.

Visite

Het is eigenlijk bijna een wonder dat ik na drie reizen naar Oeganda nog nooit een blogje heb geschreven over visite in Oeganda. Dat is namelijk eigenlijk best wel een blogje waard…
Er komt elk jaar dat ik hier ben geregeld bezoek. Ik herken het meestal aan de vele slippers en sandalen die bij thuiskomst opens voor mijn deur staan. Of Baker komt me buiten vertellen dat er visite is. Hij vertelt het met een kleine twinkeling in zijn ogen, alsof het onverwachte bezoek ongetwijfeld het hoogtepunt van de dag zal vormen. En de eerste keren had ik door Bakers enthousiasme zelf ook bepaalde verwachtingen. Daar is na vier keer Oeganda en na tig visites niet meer zo heel veel van over.
Ten eerste komen die bezoeken bijna altijd op een vervelend moment. Bijvoorbeeld als ik net mijn kind op bed probeer te krijgen (en nee sorry, mijn zoon is er niet aan gewend om te gaan slapen in een kamer vol met mensen). Of als ik net een dag met diaree en koorts in bed lig te ijlen (dat is me dit jaar gespaard gebleven, met nog drie dagen op de teller!!!), Of als ik net een dag heb dat het idee overheerst dat al het positieve dat altijd over Afrika wordt verteld en geschreven schromelijk is overdreven. Ze komen kortom altijd als mijn hoofd niet naar bezoek staat, wel naar lieve Nederlandse vrienden natuurlijk die langs komen, maar niet naar het bezoek dat hier op mij staat te wachten. Wat voor mensen dat zijn? Dat is mij ook nog steeds een raadsel. Meestal ken ik de gezichten niet als ik mijn kamer betreed waar het bezoek al plaats heeft genomen. Ik word aangestaard, bekeken. Ooit dacht ik dat dat het beginstadium is van een conversatie. Inmiddels weet ik dat het ook het eindstadium is. Het bezoek spreekt namelijk 9 van de 10 keer geen Engels. En zelfs als ze wel een beetje Engels spreken, leiden mijn pogingen om een gesprek altijd tot niks. Blijkbaar komt mijn visite hier niet om met mij te praten over de wereldproblematiek, of over het weer in Nederland of desnoods over de kwaliteiten van Seedorf en Robbe. Ze zitten, kijken naar me, gniffelen wat naar elkaar in Luganda, of houden hun mond. En ze blijven zitten. Tot ik me al honderd keer ongemakkelijk heb gevoeld, vijftig keer naar de deur heb gekeken of Baker me niet komt redden –hetgeen hij nooit doet, want het is mìjn bezoek, dus. Daar zit je dan, met je diaree, je huilende slaperige kind of je pokken-humeur. En met je zwijgzame, starende bezoek. Gezellig is anders. Maar we zitten hier dan ook niet in het land van de gezelligheid.
Op bezoek gaan bij mensen heeft al net zo min iets te maken met gezelligheid. Een aantal weken geleden ging ik bijvoorbeeld op bezoek bij de overgrootmoeder van Nano. Er was een speciale gelegenheid want op deze dag zou Nano’s navelstreng door haar middels allerlei rituelen in een soort siraad verwerkt worden om vervolgens met allerlei muntjes en kralen en kruiden goed ingepakt te worden. En dus zat ik op een warme zondagmiddag, op de verjaardag van mijn zwager, in de woonkamer van nano’s grootmoeder. Baker was hem uiteraard binnen een paar minuten alweer gepeerd, wederom niet doorhebbend dat het toch ietwat ongemakkelijk is om uren door te brengen in een kamer met mensen die een totaal andere taal spreken, als ze al spreken. Uren ja, want volgens gebruik verlaat de gastvrouw zonder pardon de ruimte om -terwijl jij in de woonkamer wacht- uren in de keuken door te brengen om een uitgebreid maal klaar te maken. Daar zit je dan dus, uren. Zwijgend. Tenzij je je zus en jarige zwager meeneemt. Dan speel je een spelletje ‘ik ga op reis en neem mee…’ om de tijd te doden. Waarbij eigenlijk nog vòòr de tandenborstel en de reiswekker hoort ‘Ik ga op reis en ik neem mee: een zus en zwager om mee te nemen als je op bezoek gaat om die vreselijk saaie uren op een plezierige manier door te komen’.



nano bekijkt zijn navelsteng, ingepakt volgens de traditie van de lungfish-clan. Nano heeft de hele ceremonie gehuild, gekrijst. dus dit was een absoluut lucky shot...

Een mama op de boda boda

Het was voor het laatst in 2005 dat ik op een boda boda (brommertaxi) had gezeten, de reden valt te lezen in mijn blog van vorig jaar over het verkeer in Oeganda.
Gisteren ging ik even alleen op pad, zonder zoon. Ik merkte een kleine twinkeling in mijn ogen toen ik bedacht dat dat betekende dat ik weer eens op de boda boda zou kunnen rijden. Ik liep opgewekt richting een boda-boda verzamelplek (in dorpen vaak te herkennen aan een grote boom waaraan een aantal jassen hangen van de boda-boda-jongens – ik moest het in Kampala helaas doen met een lantaarnpaal). Ik werd gewoon vrolijk van het aanspreken van de jongens, van het onderhandelen over de prijs, en zelfs van het daarna alsnog veel te veel betalen.Ik klom achterop, benen netjes aan een kant en genoot van hoe we door het verkeer door suisden, hoe het heerlijke vier-uur-zonnetje de stad verlichtte, hoe we langs massa’s mensen reden en hoe massa’s mensen langs ons reden.
En ik besef dat ik sinds ik moeder ben ontzettend kan genieten van dat soort kleine dingen die ik over het algemeen niet meer kan doen met een kind.
Ik moest ook weer terug. In het donker. Hoewel ik met een vriend besloten had alleen een boda boda te nemen met goede verlichting, beland ik tijdens het onderhandelen alsnog op een boda boda zonder achterverlichting. We zijn nog geen vijf minuten op weg, als er per ongeluk een gedachte in mijn hoofd opkomt. 1 seconde maar, maar het is al te laat. ‘als me nu iets overkomt, zie ik nano nooit opgroeien’. Wat een zinloze gedachte, maar het kwaad is al geschied. Ik zie om me heen dat we de stad uitrijden, we komen in steeds desolatere gebieden, tankstations, sloophopen. Ik zie namen van wijken en probeer me te herinneren of het klopt met de route die leidt naar mijn bestemming. Ik herken niets, niet heel gek aangezien ik dit deel van Kampala ook niet echt ken. Maar het maakt me toch steeds ongeruster. Heeft deze boda-boda-jongen niet een heel ander plan dan mij afzetten op het taxipark in Natete? Ik heb een hekel aan angst, maar voordat ik het weet probeer ik me te herinneren welke martelmethodes een dag eerder tijdens een gesprek met mijn reisgenoten ter sprake zijn gekomen. Zou ik hem met mijn duim in zijn oog kunnen drukken, terwijl ik met mijn andere vingers zijn kaak vasthou? Wat een waanzin… Was ik maar een sterke vrouw, die haar hele leven potten op haar hoofd heeft getild en dit jochie ook wel de baas zou kunnen. ‘Een vriend wacht op me in Natate’ Sterke zet, eef. Nu zal ie vast schrikken. Ik maak me steeds oprechtere zorgen over de route die hij neemt. Ik had toch een paar herkenningspunten verwacht, maar herken helemaal niets van wat ik zie. Ik probeer te bedenken of het nou slim is om te laten blijken aan de meneer voor me dat ik het idee heb dat ie niet de goede route rijdt. Na lang wikken en wegen vraag ik hem welke route hij neemt. Hij zegt dat we er bijna zijn. Ik kijk om me heen, ken Natete best wel, maar ik herken wederom niks. Foute boel dus. Amai.

Vijf minuten later zit ik in de taxi in Natete. Mijn linkerbovenbeen leen ik uit aan de bil van de conducteur, die zijn taxi zo vol heeft geladen dat er nergens anders plek is voor hem. Ik geniet van hoe de kleine dorpjes er in het donker uit zien en hoe de meneer naast me zich ontfermt over of ik wel comfortabel zit.

dinsdag 3 maart 2009

de mango valt niet ver van de boom

Mijn eerste nacht in Oeganda droomde ik over een heerlijk ontbijt met een kom conrflakes. Ik werd bijna watertandend wakker. Na een dag was er natuurlijk nog geen enkele reden om Nederlands eten te missen, maar de ervaring van voorgaande reizen naar Oeganda zorgde er voor dat ik na een dag al bijna heimelijk terug dacht aan het Nederlandse eten. Mijn zoon is niet veel anders. Al na een paar dagen begon het. We kunnen met z'n tweeen na een Oegandese maaltijd te hebben genuttigd heerlijk hardop fantaseren over al het Nederlandse eten. Dan noemen we al schuimbekkend omstebeurt de lekkerste toetjes op die we kunnen bedenken. Of de lekkerste gerechten die we thuis eten. Of Nano vertelt dolenthousiast over al het eten dat hij bij Nijntje krijgt. (En dat zijn boontjes uit potten en andersoortig onsmakelijk eten, kun je nagaan). Heerlijk om een zoon te hebben die dezelfde liefde heeft voor eten -en ook dezelfde afkeer voor de niet al te smakelijk Oegandese keuken...
Gelukkig heeft nano de afgelopen weken toch ook zijn eigen favorieten ontdekt, als het om eten in Oeganda gaat. Elke ochtend stapt ie door het dorp heen, in zijn broekzakje Oegandese Shillings. Bij het minisupermarktje haalt hij yoghurt uit een zakje, maar niet voordat hij eerst heeft gekeken of de chapatibakker al wel aan het werk is voor hem. Want daarna gaat hij meteen door naar zijn favoriete kraampje. Een wit bouwvalletje van een metertje breed. Ze bakken de lekkerste chappaties van het dorp. En nano kan er geen genoeg van krijgen. Al roept ie 20 keer per dag dat hij geen chapatimonster is, het hele dorp weet dat het tegendeel waar is. Hij verslindt ze, zoals een leeuw (leeuwen? hebben ze die in oeganda? geen idee...) zijn prooi. En hij koopt er altijd eentje extra. Om uit te delen aan zijn vriendjes. Want delen is leuk. Het kostte aardig wat pijn en moeite om hem dat aan zijn verstand te peuteren de afgelopen weken, maar uiteindelijk is het redelijk gelukt. Melk drinkt ie van zijn eigen koe. Die staat helemaal aan het eind van het dorp. En hoewel we elke ochtend te lui zijn om op te staan als de koe gemolken wordt, vindt ie het ontzettend interessant dat zijn melk van zijn eigen koe komt. In de avond koopt ie vaak op eigen houtje popcorn, op de pof. Dan komt ie met een zakje popcorn thuis, dat ie gekocht heeft in een iniminikraampje voor papa's huis. Maar hij had geen geld bij zich, dus of we hem even geld kunnen geven zodat ie kan betalen...En zo is er toch heel wat te genieten over de hele dag heen.

wat bezielt hem?



Mijn zoon bevindt zich op de evenaar. En mijn zoon heeft het koud. Koude handen, koude armen, koude voeten, koude benen. In de zwetende hitte vragen om een lange broek, want 'het is zo koooouuuud'. Tussen twee zwetende ouders in vragen om een dekentje, want 'ik heb het zo kooouuuud'. In een snikhete auto vragen of het raampje dicht mag, want 'anders is het zo frissssssssss'. Sokken aanwillen want 'anders worden mijn voeten kouuuuuudddddd'. En pal in de zon dus een jas aanwillen, omdat ie het anders misschien koud krijgt. Tja.